achtergrondartikelen

Internationaal Vocalisten Concours ‘s-Hertogenbosch 2014

 

IVC-winnaars

Winnaars van het 50ste IVC © Vincent Nabbe

En opeens was het voorbij. Na zeer lange dagen (en halve nachten) van luisteren, nadenken, debatteren, overleggen, meningen vormen en ze herzien, sloot het vijftigste Internationaal Vocalisten Concours op zondag 13 september 2014 af met de Grande Finale. Een impressie.

De negen finalisten in de categorie opera/oratorium mochten zich eindelijk in ‘vol ornaat’ presenteren aan het publiek en de jury. Geen piano meer, maar een volledig orkest, dat onder leiding van het jurylid Kenneth Montgomery werkelijk wonderen verrichtte om al de verschillende stukken op tijd in te studeren en ze dan op zo’n hoog niveau uit te voeren. Chapeau!

Een speciale vermelding verdient de klarinettist van de philharmonie zuidnederland, die zich in twee aria’s van Mozart, beide uit La clemenza di Tito, een waardige partner toonde van Deirdre Angenent (‘Ecco il punto..’) en Catriona Morison (‘Parto, parto..’)

De Chinese Yibao Chen (met 24 jaar één van de twee jongste deelnemers) stelde mij na haar sterke optreden in de halve finale behoorlijk teleur. Vivaldi’s ‘Juditha triumphans’ was voor haar nog duidelijk te hoog gegrepen. Haar keuze voor ‘Meine Lippen, sie küssen so heiss’ (Giudita van Lehár) was buitengewoon sympathiek (eindelijk een operette op het menu!), jammer alleen dat zij zo vreselijk schmierde. Toch ging ze niet met lege handen naar huis: samen met Iris van Wijnen mocht ze de Prijs van de Provincie Noord-Brabant delen.

Deirdre Angenent nam een sterk revanche op haar – voor mij – teleurstellende optreden in de halve finale. Toen werd “Morrò, ma prima in grazia” (Ballo in Maschera) bijna bedolven onder het geweld van de stem en te veel forte en fortissimo, nu wist zij zo veel verschillende kleuren en nuancen te voorschijn te toveren dat zij zowel met haar Mozart als met “Es gibt ein Reich” (Ariadne auf Naxos) veel indruk op mij maakte.

En mocht er een prijs worden gegeven voor de mooiste/indrukwekkendste “verschijning” dan heeft zij die ruimschoots verdiend. In tijden van de visualisatie van de kunstvorm ‘opera” beslist niet onbelangrijk. Ik kon mij ook niet aan de indruk onttrekken dat zij al het stadium “Opera competitie” voorbij is.

Bijzonder onder de indruk was ik van de Poolse sopraan Marcelina Beucher. Al in de halve finale roerde ze mij tot tranen toe met de zowat volmaakt gezongen ‘Teneste la promessa’ (La Traviata). Wel jammer dat ze zowel toen als in de finale koos voor ‘In Trutina’ (Carmina Burana), een werk dat mij betreft niet in concoursen thuishoort. Maar na de met veel expressie gezongen ‘Ha! Dzieciatko nam umiera’ uit Halka van Moniuszko werd ik even stil. Dat zij, als enige, niet in de prijzen viel, is voor mij dan ook onbegrijpelijk.

Zijn muziek is minstens zo goed!

Marcelina Beucher in ‘Ha! Dzieciątko nam umiera…’ uit Halka van Moniuszko:

Bij de Canadese tenor Andrew Haji ging mijn operahart sneller kloppen. Zijn ‘Una furtiva lagrima’ (L’elisir d’amore) bezorgde mij vochtige ogen: hier stond een echte tenor zoals ze alleen maar vroeger gebouwd werden, bij wijze van spreken dan. Zijn prachtig gevoerde stem met een makkelijke hoogte is buitengewoon fraai en zijn voordracht meer dan voorbeeldig. Met zijn stem alleen wist hij alles te vertellen wat een componist wilde zeggen, bijvoorbeeld in zijn meer dan indrukwekkende uitvoering van ‘Tarquinius’ Ride’ (The Rape of Lucretia) in de halve finale of in het zalvende ‘Ye people’ uit de Elijah van Mendelssohn. Bij hem moest ik denken aan een uitspraak van Aprile Millo: “The opera is all about voices and music.” Een terechte winnaar.

Andrew Haji in ‘Ye people’ uit de Elijah van Mendelssohn:

De oratoriumprijs werd zeer terecht aan de Engelse mezzo Catriona Morison toegekend. Haar stem is mooi rond en warm en zowel haar laagte als haar hoogte wist ze zeer soepel te hanteren. Maar ze was ook de enige die – op één aria van Mozart na, een schitterend uitgevoerd ‘Parto, parto..’ – alleen maar oratorium zong.

Catriona Morison zingt ‘Where Shall I Fly’ uit Hercules van Händel:

De Nederlandse mezzo Francine Vis kreeg de prijs voor het, nu in de orkestversie uitgevoerde, plichtwerk ‘Quale coniugium’ van Willem Jeths.

Of het terecht is laat ik in het midden, maar haar interpretatie was de mijne niet. Veel concurrentie had zij echter niet: de enige andere genomineerde was de Kroatische bariton Krešimir Stražanec.

Hoe anders klonk het lied uitgevoerd door de Amerikaanse countertenor Eric Jurenas (onbegrijpelijk eigenlijk dat hij niet voor de Lied-Duo finalen werd uitgekozen!). En ik moest denken aan de manier hoe de Nederlandse bariton Michael Wilmering het lied met de piano zong en wiens vertolking mij zeer heeft gegrepen: zodra ik mijn ogen dichtdeed zag ik het schilderij van Jeroen Bosch voor mij. Hopelijk krijgt hij ooit de kans om de werkelijk prachtige compositie ook met een orkest te vertolken.

IVC Iris van Wijnen

Kiri te Kanawa en Iris van Wijnen

Niet met alle beslissingen van de jury ben ik het dus eens: zo had ik de jonge (24!) Nederlandse sopraan Iris van Wijnen graag in de finale gehoord. Al tijdens de halve finalen vond ik haar optreden echt bijzonder, maar tijdens de masterclass met Dame Kiri liet zij horen wat een fantastische Mimi in haar schuilt!

Zelf had ik ook nooit de operaprijs aan de Amerikaanse tenor Matthew Newlin toegekend, al vond een deel van het publiek hem werkelijk enig en zeer aansprekend. Voor mij was zijn hoogte te geknepen en zong hij met een soort ‘knödel’ in zijn stem. Maar dat is natuurlijk persoonlijk.

Al met al: het was een fantastische afsluiting van een fantastisch concours. Ook de organisatie was tot in de puntjes verzorgd, er was voldoende informatie beschikbaar en iedereen – en niet alleen de deelnemers – werd zowat in de watten gelegd door de directrice, Annett Andriessen, waarvoor hulde.

 

Meer over IVC: IVC: RUSSISCHE SUMMERSCHOOL september 2015

 

Advertenties

ZANGCONCOURSEN: PRO’S EN CONTRA’S

concoursen Moritz-Schwind-Saengerstreit-ohne-Rahmen

Moritz von SchwindDer Sängerkrieg

Als jonge zanger kun je bij wijze van spreken iedere week aan een zangconcours meedoen. Overal worden mogelijkheden geboden om jezelf in de spotlights te zingen. Goed nieuws voor het vele talent dat er is. Maar er zijn ook kanttekeningen te plaatsen.

Er wordt beweerd dat ‘het publiek’ gek is op concoursen en daar geloof ik zonder meer in. Al in de oudheid wist men de gemoederen met brood en spelen rustig te houden; en er werden allerlei wedstrijden georganiseerd, ook voor zangers, dichters en filosofen. De traditie leefde voort, en de zangwedstrijden hebben hun weg ook naar de opera gevonden. Denk alleen aan Die Meistersinger of Tannhaüser. Voor je zangkunst werd je altijd beloond. Ooit mocht je de mooie bruid mee naar huis nemen, tegenwoordig is je prijs tastbaarder geworden. Een somma geld, een engagement in een operahuis en – waar iedereen, al is het stiekem, van droomt – roem en een grote carrière. Geen wonder dus, dat er zo veel concoursen bestaan.

Maar: zijn het er inmiddels niet te veel? Moet er niet een leeftijdsgrens worden gesteld? Kan je een zanger die inmiddels aan grote huizen zingt met een beginnende collega vergelijken? Leveren ze ook datgene op, waar de veelal zeer jonge mensen op hebben gehoopt? Worden ze er door in hun carrière geholpen? Je wint en dan? En hoe ga je met je verlies om?

Allemaal vragen die mij deden besluiten om het fenomeen ‘zangcompetitie’ onder de loep te nemen en met direct betrokkenen te gaan praten,

Maartje Rammeloo (sopraan):

 

Concoursen Maartje

© Sarah Wijzenbeek

In 2008 was Maartje Rammelo één van de halvefinalisten van het IVC, waar ze uiteindelijk de Staetshuijs Fonds Prijs won. Ook tijdens het Belvedere in 2013 behaalde ze de halve finale. Verder won ze een engagement in Essen. Rammeloo was finaliste bij het Montserrat Caballé Concours in Zaragosa en bij het Wilhelm Stennhammer concours in Zweden.

 “Meedoen aan concoursen geeft een dubbel gevoel. Het inspireert en is opwindend, maar uitslagen zijn óf vreselijk voorspelbaar of volkomen bizar.

Je doet altijd mee om het beste uit jezelf te laten zien en hoopt dat dit voldoende is om een jury te overtuigen van je kwaliteit: maar hoe kun je de kunde en artisticiteit van een musicus beoordelen in een wedstrijd? In een auditie voor een productie heeft een artistiek team een concept en een idee over wie een rol zou moeten spelen. Maar in zo’n wedstrijd vergelijken meerdere juryleden met ieder zijn/haar eigen smaak appels met peren: een Figaro met een Tosca, een Händel counter met een Wagner sopraan.

En dan heb je het nog niet eens over het gekonkel en de verborgen agenda’s van sommige juryleden, het chauvinisme in regionale wedstrijden en het exotisme/de commercie om soms voor zangers te kiezen die niet per se de beste performance geven, maar wel erg interessant zijn vanwege afkomst of uiterlijk.

Waarom dan meedoen? Het geeft je een kans nieuw repertoire uit te proberen en feedback te krijgen. Daarbij is het een kans om voor te zingen voor de belangrijkste mensen uit het vak, voor wie je ‘in real life’ nooit een auditie geregeld krijgt zonder een geniale agent die je er binnen loodst.

Ik heb nog geen wedstrijd gedaan waar ik niet óf werk óf contacten óf zinnige feedback aan over heb gehouden. En dat is uiteindelijk wat we willen: werken! Zingen! Voor een publiek staan!

De prijzen maken het makkelijker om je vak uit te oefenen. In financieel opzicht, want ons vak maakt in de eerste jaren zeker niet rijk, en daarnaast qua bekendheid, wat weer voor meer werk kan zorgen. Maar net zo goed zijn er prijswinnaars genoeg waarvan we nooit meer wat horen en zangers die nog nooit een concours hebben gewonnen die nu een wereldcarrière hebben. Uiteindelijk gaat het om de lange adem, niet om het snelle succes…

Wat wel altijd erg lastig is met concoursen, is het vaststellen van je repertoire. Allereerst zijn er maar weinig zangers honderd procent zeker van hun ‘fach’. Het merendeel twijfelt toch telkens weer waar juryleden mij in zouden willen horen.

Daarbij heeft elk concours weer z’n eigen eisen. Zo veel aria’s in het totaal, waarvan zoveel van de lijst met verplichte werken, waarvan je eerste ronde maar zoveel minuten mag duren en de jury in de volgende ronde zo veel aria’s kiest enz. enz. Vreselijk moeilijk. Want je wilt zo veel mogelijk laten horen. Verschillende talen, verschillende stijlen, verschillende technieken en onderwerpen.

Er zijn ook een aantal concoursen die meer dan alleen het wedstrijdelement bieden. Ik stimuleer mijn eigen leerlingen nu ook om daar naar te zoeken. Concoursen als het IVC die met dingen als een jongerenjury, masterclasses, concertjes en lezingen er een echt zangfestival van maken. En dat zijn ook vaak de concoursen die contact houden met je in de jaren erna. Die begaan zijn met de verdere ontwikkeling van de zangers. Maar dat zijn er erg weinig helaas…

Ik heb inmiddels geleerd dat als je zingt waar jij je lekker bij voelt en wat je echt goed kan, dan is er na afloop van je optreden tenminste één iemand blij. Namelijk jij.

Maartje Rammeloo zingt ‘I want magic!’ uit The Streetcar named Desire van André Previn:

 

Piotr Barański (countertenor):

concoursen Piotr-Baranski-Cornelia-Helfricht

©  Cornelia Helfricht
 

In 2012 was Piotr Barański halvefinalist bij het IVC in Den Bosch.

 “Lange tijd wilde ik niets van concoursen weten, ik vond mijzelf er niet het type voor. Je moet je niet alleen goed voorbereiden, maar ook zeker zijn van jezelf en het beste van jezelf aan de jury laten zien, je moet presteren terwijl je onder stress staat. Daar moet je goed tegen kunnen en niet iedereen kan dat.

En toch – concoursen zijn heel erg belangrijk. Je krijgt de kans om je aan een breder publiek te presenteren, om nieuwe, belangrijke mensen te leren kennen – en in ons beroep moeten we het van connecties en netwerken hebben. En het is natuurlijk heel erg belangrijk dat je je kan laten zien aan dirigenten, agenten, intendanten en casting directeuren, die op zoek zijn naar nieuwe talenten.

Er zijn helaas concoursen waar de eliminaties en de eerste voorrondes achter gesloten deuren plaats vinden en alleen de finales zijn toegankelijk voor het publiek. De kansen om iets van zo’n concours op te steken zijn dan minimaal.

De criteria van de jury zijn niet altijd even duidelijk en de resultaten kunnen zeer controversieel zijn. Ik ken zangers die, zingend op hetzelfde niveau, op het ene concours de hoogste prijzen winnen, terwijl bij het andere niet verder komen dan de voorrondes.

Wat voor mij heel belangrijk is, is de feedback. Het is van het grootste belang voor de verdere ontwikkeling van een zanger om tenminste een paar woorden met de juryleden te wisselen, iets wat inderdaad bij IVC gebeurde en wat mij ontzettend heeft geholpen. Een gezonde, constructieve kritiek is onontbeerlijk en opbouwend.”

Piotr Barański (countertenor) en Hans Eijsackers (piano) in “Lullaby” uit ‘Songs and Dances of Death’ van  Modest Mussorgsky

(meer…)

International Arthur Rubinstein Piano Master Competition. Wedstrijd met menselijk gezicht

Rubinstein 2014

Welke pianist droomt er niet van om de nieuwe Rubinstein te zijn? Of op zijn minst Emanuel Ax, winnaar van de eerste prijs tijdens de allereerste International Arthur Rubinstein Piano Master Competition in Tel Aviv drieënveertig jaar geleden?

Er wordt beweerd dat ‘het publiek’ gek is op concoursen en daar geloof ik zonder meer in. Al in de oudheid wist men de gemoederen met brood en spelen rustig te houden; en er werden allerlei wedstrijden georganiseerd, ook voor zangers, dichters en filosofen. Men wilt vermaakt worden en de spanning is aanlokkelijk. Ook voor de toeschouwers, maar in eerste instantie voor de deelnemers, voor wie heel erg veel op het spel staat: engagementen, platencontracten en – wie weet? – een grote carrière en eeuwige roem.

De wereld wordt harder, zo ook de competities. De rivaliteit, niet alleen onder de deelnemers maar ook onder de wedstrijden zelf, neemt toe. In die wereld voelt het concours Tel Aviv een beetje als een warm bad, zo wordt er althans beweerd.

Idith Zvi, Artistic Director ARIMS

Idith Zvi © Eyal Fisher 

Idith Zvi, sinds dertien jaar artistiek leider van het Concours vindt dat leuk: “We willen een wedstrijd zijn met een menselijk gezicht. Het is – en blijft – een competitie, maar we moeten het humane aspect niet uit het oog verliezen, het is voor de deelnemers al stressy genoeg”.

Rubinstein Bistrizky

Jan Jacob Bistrizky met Arthur Rubinstein

Het was Jan Jacob Bistrizky, zelf een pianist en – vóór hij in 1971 naar Israël emigreerde – één van de leiders van het Chopin Concours in Warschau, die het initiatief nam voor het oprichten van een soortgelijk concours in Tel Aviv. Het was voornamelijk zijn bedoeling om het Israëlische culturele leven te verrijken, maar ook om de naam en het artistiek erfgoed van zijn vriend Arthur Rubinstein te eren.

Rubinstein Bistrizky met

Arthur Rubinstein en Jan Jacob Bistrizky

Vanaf de oprichting heeft het concours zich ook gericht op het promoten van het werk van Israëlische componisten. Alle deelnemers zijn verplicht om een door het concours bestelde werk van een Israëlische toondichter in te studeren. Het zijn er altijd twee, een man en een vrouw (in 2014 waren het er Ella Sheriff en Benjamin Yusupov) in Israël is seksegelijkheid meer dan belangrijk.

01_LOGO_RUBINSTEIN_2012

Het enorme succes van de eerste drie edities leidde in 1980 tot het oprichten van het Arthur Rubinstein International Music Society. Het jaar 2014 nam een bijzondere plaats in de geschiedenis van het concours in: het was veertig jaar geleden dat de competitie werd opgericht en tien jaar sinds de eerste ‘Piano Festivities’ hebben plaatsgevonden. In 2014 was het ook vijf jaar sinds de dood van Bistrizky.

Een paar cijfers: in de veertig jaar werden veertien competities gehouden, er waren zeshonderd deelnemers, 43 pianisten hebben prijzen gewonnen, in de jury namen plaats 180 vaak wereldberoemde musici en de prijzen bedragen meer dan een half miljoen dollar.

 

(meer…)

POLNISCHE HOCHZEIT van JOSEPH BEER

Beer Poster World Premiere Polnische

„In der Heimat blüh’n die Rosen – nicht für mich den Heimatlosen“ zingt graaf Boleslav in zijn eerste aria. Het had net zo goed uit de biografie van de componist kunnen komen.

Beer in 1925 Oeillet

Joseph Beer in 1925 © Oeillet

Joseph Beer werd in 1908 geboren in Lemberg (Lwów, Lviv), wat toen nog bij het Oostenrijks-Hongaarse rijk hoorde, maar tien jaar later één van de belangrijkste steden werd in het herrezen Polen. Beer studeerde in Wenen en na de anschluss vluchtte naar hij naar Frankrijk. Eerst naar Parijs waar hij, geholpen door de directeur van Théâtre du Châtelet zich in leven hield door de muziek voor de film Festival du Monde te componeren. Zijn poging om de US te bereiken mislukte: verder dan Nice kwam hij niet.

Beer hoto Papa Fausse Carte Identite

Valse identiteitscard van Joseph Beer

Tijdens zijn onderduikperiode componeerde hij er Stradella in Venice, een opera in veristische stijl (première Zurich 1949) die zijn laatste bleek te zijn.

Beer stradella

 

Robert McFarland zingt aria van Doge uit STRADELLA IN VENEDIG:

 

 

Beer met ouders enPhoto Papa and Family

Joseph Beer met zijn ouders, broer en zus

Na de oorlog bereikte hem het nieuws dat zijn ouders in Auschwitz waren vermoord. Ook zijn vriend, mentor en librettist van de Polnische Hochzeit, Fritz Löhner-Beda, heeft het kamp niet overleefd.

Beer Fritz Löhenr-Beda

Fritz Löhner-Beda

Begin jaren vijftig trouwde Beer met Hanna Königsberg, ook een Holocaust overlevende (Königsberg heeft als kind samen met haar ouders Duitsland ontvlucht). Samen met haar en hun twee dochters bleef hij in Nice – tot zijn dood in 1987.

Beer Photo Papa Maman ca. 1950

Joseph Beer met zijn vrouw Hanna Königsberg in Nice

Beer is nooit het droeve nieuws van het verlies van zijn familie te boven gekomen. Hij trok zich terug uit het publieke leven en stopte met componeren, daarvoor in de plaats stortte hij zich op zijn studie musicologie: in 1966 promoveerde hij op “Evolutie van de harmonische stijl van Scriabin”.

Beer Diplome de Doctorat

Polnische Hochzeit werd na de oorlog niet meer opgevoerd, Beer zelf wilde er geen toestemming voor geven. Naar het “waarom” kunnen we alleen maar gissen, maar blijkbaar was de confrontatie met de operette voor hem te pijnlijk. De operette met zijn onderwerp lag hem te veel aan het hart.

 

Maar zijn roots verloochende hij nooit. Volgens zijn dochter Béatrice voelde hij zich in eerste instantie een Jood, maar daarna meteen een Pool. Geen Oostenrijker, alsjeblieft. Maar ook geen Fransman. Hij woonde er bijna vijftig jaar en werd na de oorlog tot Franse staatsburger bevorderd, maar zijn hart bleef in Lwów, al heeft hij de stad nooit meer terug gezien. Hij sprak ook vloeiend Pools, wat zonder twijfel van belang was voor het leggen van de juiste accenten in zijn partituur.

Beer Polnische Hochzeit Poster World Premiere

Het is bijna niet te geloven, maar Beer componeerde Polnische Hochzeit in slechts drie weken. De première in 1937 in Zurich was een enorm succes. Het werd vertaald in acht talen en werd – behalve in nazi Duitsland –in veertig verschillende landen op de planken gebracht. Onder de titel Les Noces Polonaises zou de operette op 1 oktober 1939 worden opgevoerd in Théâtre du Châtelet. De hoofdrollen zouden gezongen worden door Jan Kiepura en Martha Eggerth, maar een maand daarvoor zijn de Nazi’s de tweede Wereldoorlog begonnen.

Beer cover


Polnische Hochzeit
is een heerlijke operette in de rijke Weense traditie. Je hoort er flarden van  Emmerich Kálmán en Paul Abraham (Victoria und ihr Husar!), maar de partituur is rijkelijk gelardeerd met Poolse volksdansen en Joodse volksmelodieën. Plus de in de tijd veel gebruikte jazzinvloeden: het duet ‘Katzenaugen’ is een onvervalste charleston.

Een operetteliefhebber ontdekt er alle noodzakelijke ingrediënten. De jeugdgeliefden Boleslav en Jadja komen elkaar weer tegen als Boleslav naar zijn vaderland terugkeert. Jadja is aan Boleslavs rijke oom Staschek beloofd, maar een slimme meid Suze  (zeg maar: een soort vrouwelijke Figaro) weet de boel tot het goede einde te brengen. Het verhaal heeft ook veel weg van Don Pasquale. Wat de Polnische Hochzeit anders maakt is het hoge patriottismegehalte: het verhaal speelt zich af in 1830, in de door Russen bezette Polen.

Nikolai Schukoff kom ik steeds vaker tegen bij de (vergeten) operettes en dat maakt me blij. Na Giuditta en Zigeunerbaron is het al zijn derde operette opname. Zijn stem is er zeer geschikt voor, veel beter dan voor Wagners die kleine littekens op zijn stem hebben achtergelaten. Erg is het niet: hij heeft gewoon wat tijd nodig om op te warmen (de opname is live). Al in de mazurka ‘Polenland mein heimatland’ is hij helemaal op dreef en laat een paar stralende hoge noten horen. Heel bijzonder is ook zijn gevoel voor het ritme, waarmee hij goed geholpen wordt door de dirigent Ulf Schirmer. En voor de smachtend gezongen hit die nog geen hit is, ‘Du bist meine grosse Liebe’, zou zelfs Gedda zich niet voor hoeven te schamen.

Teaser:

Martina Rüping is een heerlijke Jadja. Haar warme sopraan weet mij in het met melancholische ondertoon gezongen ‘Wenn die mädel zu mazurka gehen’ zeer te ontroeren. En wat een mooi nummer is het! Net als het duet ‘Herz an Herz’ (denk aan ‘Lippen Schweigen”) trouwens. Smullen!

Michael Kupfer-Radecky imponeert als graaf Staschek en Susanne Bernhard is een verrukkelijke Suze.

Béatrice Beer, dochter van de componist zingt ‘Wunderbare Traume’:

Joseph Beer
Polnische Hochzeit
Martina Rüping, Susanne Bernhard, Nikolai Schukoff, Michael Kupfer-Radecky, Mathias Hausmann e.a.
Chor des Staatstheater am Gärtnerplatz; Münchner Rundfunkorchester olv Ulf Schirmer
CPO 5550592


English translation: JOSEPH BEER: POLNISCHE HOCHZEIT.

MANFRED GURLITT en de vergeten Wozzeck

Gurlitt

Manfred Gurlitt

 

LEVEN

De willekeur van de muziekgeschiedenis kan soms behoorlijk verwarrend zijn. Want, waarom is de ene componist beroemd geworden en de andere niet? Dat het niet altijd op een objectieve waardeoordeel is gebaseerd weten we maar al te goed, daarvoor zijn er te veel werkelijk goede componisten (en/of hun werken) van onze podia verdwenen.

Waarom wordt Wozzeck van Alban Berg zo vaak uitgevoerd en opgenomen en waarom heeft bijna niemand van Wozzeck van Manfred Gurlitt gehoord? Beide opera’s, met als basis het onvoltooide toneelstuk van Büchner, zijn kort achter elkaar in première gegaan. Die van Berg in december 1925 in Berlijn en die van Gurlitt in april 1926 in Bremen.

Meesterwerk versus vakwerk, roept u? Niet helemaal. Ook aan de muziek van Gurlitt mankeert helemaal niets. Beide componisten hanteren een nieuwe muzikale taal en zijn – ieder op zijn manier – vooruitstrevend.

De immense populariteit die de opera van Berg vanaf de eerste dag genoot heeft er uiteraard toe bij gedragen dat het werk van Gurlitt uit het zicht verdween. Maar: zou het alleen daar aan liggen of zit het ingewikkelder in elkaar?

Manfred Gurlitts biografie roept veel vraagtekens op. Hij werd in 1890 geboren als zoon van de prominente Berlijnse kunsthandelaar Fritz Gurlitt en zijn vrouw Annarella; toch beweerde hij dat zijn echte vader Fritz Waldecker was, jarenlang de minnaar (en na de dood van zijn vader echtgenoot) van zijn moeder.

Of de verdachte afkomst van zijn vader (volgens de nazi’s had hij Joods bloed) daar iets mee te maken zou kunnen hebben weten we niet, maar uitgesloten is het zeer zeker niet. Zeker ook omdat jonge Manfred een groot aanhanger was van het naziregime en al in 1933 meldde hij zich als lid van de partij aan.

Echt geholpen heeft het niet en in 1937 werd hij uit de partij geroyeerd en van al zijn posities ontslagen, waarna hij naar Tokyo vluchtte. Onder druk van de Duitsers moest hij in 1942 zijn docentschap aan het conservatorium neerleggen, maar echt vervolgd werd hij niet. Wat er tussen 1933 en 1937 gebeurde blijft een mysterie.

 

Gurlitt Wozzeck 1951 Tokyo (scene uit een film)

Gurlitt dirigeert zijn orkest in Tokyo, 1951 (still uit een Japanse film)

In 1953 richtte hij in Tokyo zijn eigen operagezelschap op, ‘Gurlitt Opera Company’. Gurlitt keerde nooit naar Duitsland terug, hij stierf in Tokyo in 1972.

(meer…)

LADY MACBETH OF MTSENSK. Discografie.

 

lady-boek

Lady Macbeth van Mtsensk van N.S. Leskov. Illustratie  B.M. Kustodiyev

Het had een vierluik moeten worden, een operatetralogie gewijd aan de positie van de vrouw in Rusland in verschillende tijdperken. Een Sovjet-Russische Ring des Nibelungen, waarvan Lady Macbeth van Mtsensk een soort Rheingold zou zijn. Maar helaas, het mocht niet zo zijn. Al had aanvankelijk niemand het naderende onheil kunnen vermoeden.

lady-macbeth-premiere

Affiche van de prèmiere. Courtesy QED

De première op 22 januari 1934 in het Maly Theater in Leningrad was een geweldig succes, en twee jaar lang werd de opera, zowel in Leningrad als in Moskou, een paar keer per week opgevoerd. Ook in het buitenland maakte de opera furore: na Cleveland volgde de New York City Opera, en daarna Stockholm, Praag en Zürich.

Tótdat Stalin een voorstelling in januari 1936 bezocht en deze vroegtijdig verliet. De volgende dag verscheen in Pravda een artikel onder de kop ‘Chaos in plaats van muziek’. Het werd ondertekend door een zekere Zaslavski, maar volgens Sjostakovitsj werd het door Stalin zelf geschreven. De opera werd onmiddellijk van de programma’s geschrapt en de componist kreeg het etiket ‘volksvijand’ opgeplakt.

lady-krant

Na de dood van Stalin herzag Sjostakovitsj zijn opera, en onder een nieuwe titel, Katerina Ismailova, werd hij in 1963 in Moskou voor het eerst opgevoerd.

Sjostakovitsj hield van zijn heldin. Tegen Solomon Volkov bekende hij: „Hoewel Jekaterina Lvovna een moordenares is, is ze als mens nog niet verloren. Haar geweten kwelt haar, ze blijft denken aan de mensen die ze gedood heeft. Ik heb sympathie voor haar. […] Ik wilde een vrouw laten zien die veel hoger staat dan alle mensen om haar heen. Want om Jekaterina heen zijn alleen maar schurken. Zij leeft als in een gevangenis en zo lijdt ze al vijf jaar.”

„Haar leven is triest en oninteressant. Maar dan komt de liefde, een grote hartstocht. En het blijkt dat die hartstocht haar een misdaad waard is. Het maakt immers niets uit, een ander leven heeft voor haar geen zin.” (Uit Getuigenis. Herinneringen van Dimitri Sjostakovitsj.)

De opera, over het tragische lot van Katerina, die na het trouwen met een rijke koopman in een soort gevangenis belandt, waaruit zij door haar gepassioneerde liefde voor Sergei meent te kunnen ontsnappen en in een ijskoude rivier in Siberië haar leven beëindigt, is een mix van tragedie en satire, ernst en humor, lyrische melodieën en – ja, inderdaad – chaos.

Met een duizelingwekkend tempo verandert de sfeer van ontroerende melancholiek (Katja’s klaagzang ‘Zherebyonok k kob’lke toropotsa’) in seksueel geladen (verleidingsscène), om in daadwerkelijk pornografische klanken te eindigen – het is Sjostakovitsj gelukt om ‘de daad’ door muziek tot in de details te beschreven.

Rostropovitsj, 1978

lady-ros

Kort na de dood van de componist heeft zijn vriend, de cellist en dirigent Mstislav Rostropovitsj, de oorspronkelijke partituur van Lady Macbeth gevonden. In 1978 werd de opera voor het eerst integraal opgenomen (Warner 0825646483204). Rostropovitsj dirigeerde en de hoofdrollen werden vertolkt door de best mogelijke zangers uit de Russische traditie.

Galina Vishnevskaya is een fenomenale Katerina. In haar interpretatie hoor je het hele gamma aan emoties en karakterontwikkelingen van haar personage. Zij is verveeld, verliefd en gepassioneerd, en haar wanhoop aan het eind is levensgroot.

Nicolai Gedda zet een zeer aantrekkelijke en mannelijke Sergei neer en Dimiter Petkov en Werner Krenn zijn aan elkaar gewaagd als vader en zoon Ismailov. Robert Tear is (zoals altijd trouwens) bijzonder overtuigend in zijn karakterrol als de sjofele arbeider en alleen Birgit Finnila (Sonyetka) klinkt voor mij iets te ouwelijk.

Rostropovitsj dirigeert met oog voor alle details en benadrukt de contrasten. Al met al: een betere cd-opname is ondenkbaar. Niet dat u een keuze hebt: de enige echte concurrent op cd, een DG-opname (4375112) met Maria Ewing en Sergei Larin onder leiding van Myung Whun Chung, is inmiddels vervallen.

(meer…)

Minnie (LA FANCIULLA DEL WEST) van Frazzoni en Steber

fanciulla-emmy

Emmy Destinn (Minnie) bij de première van La Fanciulla del West

Minnie uit La Fanciulla del West van Puccini is bepaald geen eendimensionale vrouw. Misschien zijn goede Minnie’s daarom wel zo schaars. Voor haar grootste vertolkers moeten we terug naar het verleden. Naar Frazzoni en Steber bijvoorbeeld.

Net als Salome wordt Minnie door mannen geliefd/begeerd. Ja, zegt u, zij is ook de enige vrouw in de enkel door kerels bewoonde ruwe wereld van goudzoekers. Maar zo simpel ligt het niet. Zij woont helemaal alleen in een afgelegen hut en een paar minuten nadat ze een vreemde man heeft ontmoet, nodigt ze hem bij haar thuis uit. Ze rookt en drinkt whisky. En ze houdt van een spelletje kaarten, desnoods vals.

In de scène voorafgaand aan het pokerspel zegt zij tegen de sheriff: “Wie ben jij, Jack Rance? De eigenaar van een speelhol. En Johnson? Een bandiet. En ik? De eigenares van een bar en een speelhol, ik leef van whisky en goud, van de dans en de faro. We zijn allemaal dezelfden! We zijn allemaal bandieten en bedriegers!”

Vrouwen van Puccini zijn nooit eendimensionaal. Dat staat ook in zijn muziek, maar wie kan nog de bedoelingen achter de noten lezen? Goede Minnie’s zijn tegenwoordig schaars en om de beste tegen te komen, moet men teruggaan naar de jaren vijftig/zestig

fanciulla-tebaldi

Renata Tebaldi als Minnie

En nu wil ik het met u niet over Renata Tebaldi hebben, al was zij één van de grootste (zo niet dé grootste!) Minnie’s ooit. Zij had het geluk om over een exclusief contract met een vooraanstaande platenmaatschappij (Decca) te beschikken, iets waar haar collega’s alleen maar van konden dromen.

fanciulla-frazzoni

Gigliola Frazzoni als Minnie met Franco Corelli (Johnsosn)

Vandaar ook dat, op een enkele opera-diehard na, weinig mensen ooit hebben gehoord van Gigliola Frazzoni of Eleanor Steber (om er maar twee te noemen). Geloof mij: geen van beide doet voor Tebaldi onder. Let alleen maar op de scala aan emoties die ze tot hun beschikking hebben. Zij huilen, snikken, schreeuwen, brullen, smeken, lijden en hebben lief. Verismo ten top. Je hebt geen libretto nodig om te snappen wat hier aan de hand is.

fanciulla_steber_delmonaco_guelfi

En zij zingen, en hoe! Alle noten zijn er. Er wordt niet gesmokkeld. Nou ja, tijdens een live uitvoering wil wel eens iets misgaan, maar dat is live, dat is drama, dat is opera. En laten wij wel zijn: als je poker speelt met als inzet het leven van je geliefde, denk je niet aan belcanto.

Steber

fanciulla-steber

De opname met de Amerikaanse Eleanor Steber werd geregistreerd in 1954 tijdens de Maggio Musicale in Florence (Regis RRC 2080). Steber’s sopraan is zeer warm en ondanks de hysterische ondertonen van een bijna volmaakte schoonheid.

Gian Giacomo Guelfi maakt een verpletterende indruk als Rance en de twee samen… nou, vergeet Tosca en Scarpia maar! Ik houd niet van Mario del Monaco, maar Johnson was een rol waarin hij werkelijk groots was. Mitropoulos dirigeert zeer dramatisch met theatrale effecten.

Hieronder zingt Steber met Del Monaco het liefdesduet uit de opera. Het is van de opname uit 1954.

De opname is ook op Spotify te vinden:


Frazzoni

fanciulla-fraz

De registratie met Gigliola Frazzoni werd opgenomen in La Scala, in april 1956 (o.a. Opera d’Oro1318). Frazzoni zingt zeer aangrijpend: het is niet altijd even mooi, maar wat een drama!

fanciulla-del-west

Franco Corelli is wellicht de meest aantrekkelijke bandiet uit de geschiedenis en Tito Gobbi als Jack Rance is een luxe. Hij is, wat je noemt een vocale acteur. In zijn voordracht hoor je machtswellust en geilheid, maar ook een soort van sentimenteel liefdesverlangen.

fanciulla-corelli

Franco Corelli als Johnsosn

Hieronder Frazzoni en Corelli in het liefdesduet: