concerten & recitals

Internationaal Vocalisten Concours ‘s-Hertogenbosch 2014

 

IVC-winnaars

Winnaars van het 50ste IVC © Vincent Nabbe

En opeens was het voorbij. Na zeer lange dagen (en halve nachten) van luisteren, nadenken, debatteren, overleggen, meningen vormen en ze herzien, sloot het vijftigste Internationaal Vocalisten Concours op zondag 13 september 2014 af met de Grande Finale. Een impressie.

De negen finalisten in de categorie opera/oratorium mochten zich eindelijk in ‘vol ornaat’ presenteren aan het publiek en de jury. Geen piano meer, maar een volledig orkest, dat onder leiding van het jurylid Kenneth Montgomery werkelijk wonderen verrichtte om al de verschillende stukken op tijd in te studeren en ze dan op zo’n hoog niveau uit te voeren. Chapeau!

Een speciale vermelding verdient de klarinettist van de philharmonie zuidnederland, die zich in twee aria’s van Mozart, beide uit La clemenza di Tito, een waardige partner toonde van Deirdre Angenent (‘Ecco il punto..’) en Catriona Morison (‘Parto, parto..’)

De Chinese Yibao Chen (met 24 jaar één van de twee jongste deelnemers) stelde mij na haar sterke optreden in de halve finale behoorlijk teleur. Vivaldi’s ‘Juditha triumphans’ was voor haar nog duidelijk te hoog gegrepen. Haar keuze voor ‘Meine Lippen, sie küssen so heiss’ (Giudita van Lehár) was buitengewoon sympathiek (eindelijk een operette op het menu!), jammer alleen dat zij zo vreselijk schmierde. Toch ging ze niet met lege handen naar huis: samen met Iris van Wijnen mocht ze de Prijs van de Provincie Noord-Brabant delen.

Deirdre Angenent nam een sterk revanche op haar – voor mij – teleurstellende optreden in de halve finale. Toen werd “Morrò, ma prima in grazia” (Ballo in Maschera) bijna bedolven onder het geweld van de stem en te veel forte en fortissimo, nu wist zij zo veel verschillende kleuren en nuancen te voorschijn te toveren dat zij zowel met haar Mozart als met “Es gibt ein Reich” (Ariadne auf Naxos) veel indruk op mij maakte.

En mocht er een prijs worden gegeven voor de mooiste/indrukwekkendste “verschijning” dan heeft zij die ruimschoots verdiend. In tijden van de visualisatie van de kunstvorm ‘opera” beslist niet onbelangrijk. Ik kon mij ook niet aan de indruk onttrekken dat zij al het stadium “Opera competitie” voorbij is.

Bijzonder onder de indruk was ik van de Poolse sopraan Marcelina Beucher. Al in de halve finale roerde ze mij tot tranen toe met de zowat volmaakt gezongen ‘Teneste la promessa’ (La Traviata). Wel jammer dat ze zowel toen als in de finale koos voor ‘In Trutina’ (Carmina Burana), een werk dat mij betreft niet in concoursen thuishoort. Maar na de met veel expressie gezongen ‘Ha! Dzieciatko nam umiera’ uit Halka van Moniuszko werd ik even stil. Dat zij, als enige, niet in de prijzen viel, is voor mij dan ook onbegrijpelijk.

Zijn muziek is minstens zo goed!

Marcelina Beucher in ‘Ha! Dzieciątko nam umiera…’ uit Halka van Moniuszko:

Bij de Canadese tenor Andrew Haji ging mijn operahart sneller kloppen. Zijn ‘Una furtiva lagrima’ (L’elisir d’amore) bezorgde mij vochtige ogen: hier stond een echte tenor zoals ze alleen maar vroeger gebouwd werden, bij wijze van spreken dan. Zijn prachtig gevoerde stem met een makkelijke hoogte is buitengewoon fraai en zijn voordracht meer dan voorbeeldig. Met zijn stem alleen wist hij alles te vertellen wat een componist wilde zeggen, bijvoorbeeld in zijn meer dan indrukwekkende uitvoering van ‘Tarquinius’ Ride’ (The Rape of Lucretia) in de halve finale of in het zalvende ‘Ye people’ uit de Elijah van Mendelssohn. Bij hem moest ik denken aan een uitspraak van Aprile Millo: “The opera is all about voices and music.” Een terechte winnaar.

Andrew Haji in ‘Ye people’ uit de Elijah van Mendelssohn:

De oratoriumprijs werd zeer terecht aan de Engelse mezzo Catriona Morison toegekend. Haar stem is mooi rond en warm en zowel haar laagte als haar hoogte wist ze zeer soepel te hanteren. Maar ze was ook de enige die – op één aria van Mozart na, een schitterend uitgevoerd ‘Parto, parto..’ – alleen maar oratorium zong.

Catriona Morison zingt ‘Where Shall I Fly’ uit Hercules van Händel:

De Nederlandse mezzo Francine Vis kreeg de prijs voor het, nu in de orkestversie uitgevoerde, plichtwerk ‘Quale coniugium’ van Willem Jeths.

Of het terecht is laat ik in het midden, maar haar interpretatie was de mijne niet. Veel concurrentie had zij echter niet: de enige andere genomineerde was de Kroatische bariton Krešimir Stražanec.

Hoe anders klonk het lied uitgevoerd door de Amerikaanse countertenor Eric Jurenas (onbegrijpelijk eigenlijk dat hij niet voor de Lied-Duo finalen werd uitgekozen!). En ik moest denken aan de manier hoe de Nederlandse bariton Michael Wilmering het lied met de piano zong en wiens vertolking mij zeer heeft gegrepen: zodra ik mijn ogen dichtdeed zag ik het schilderij van Jeroen Bosch voor mij. Hopelijk krijgt hij ooit de kans om de werkelijk prachtige compositie ook met een orkest te vertolken.

IVC Iris van Wijnen

Kiri te Kanawa en Iris van Wijnen

Niet met alle beslissingen van de jury ben ik het dus eens: zo had ik de jonge (24!) Nederlandse sopraan Iris van Wijnen graag in de finale gehoord. Al tijdens de halve finalen vond ik haar optreden echt bijzonder, maar tijdens de masterclass met Dame Kiri liet zij horen wat een fantastische Mimi in haar schuilt!

Zelf had ik ook nooit de operaprijs aan de Amerikaanse tenor Matthew Newlin toegekend, al vond een deel van het publiek hem werkelijk enig en zeer aansprekend. Voor mij was zijn hoogte te geknepen en zong hij met een soort ‘knödel’ in zijn stem. Maar dat is natuurlijk persoonlijk.

Al met al: het was een fantastische afsluiting van een fantastisch concours. Ook de organisatie was tot in de puntjes verzorgd, er was voldoende informatie beschikbaar en iedereen – en niet alleen de deelnemers – werd zowat in de watten gelegd door de directrice, Annett Andriessen, waarvoor hulde.

 

Meer over IVC: IVC: RUSSISCHE SUMMERSCHOOL september 2015

 

Advertenties

“Sure on this shining ‘Robeco-night’. ” Renée Fleming zingt Barber en Strauss

Fleming applaus

De opera ‘Daphne’ van Richard Strauss vind ik ronduit saai. Ooit heb ik een uitvoering van bijgewoond waar me helemaal niets van bij is gebleven – halverwege was ik in slaap gevallen. Ik vind het een opera van niets en de zware symboliek van het libretto eigenlijk lachwekkend.

Maar de laatste pakweg 20 minuten zijn werkelijk adembenemend mooi, dus een recital waar de ‘Verwandlugscene’ (de nymf Daphne verandert in een laurierboom) op het programma staat kan altijd op mijn warme belangstelling rekenen. Zeker als het gezongen wordt door Renée Fleming, nog steeds de beste en absoluut ongeëvenaarde vertolkster van Strauss-heroïnen.

‘Verwandlungsszene‘ gezongen door Renée Fleming en gedirigeerd door Georg Solti uit 1996:

‘Daphnes Verwandlung’ stond ook op het programma van haar Amsterdamse recital op maandag 28 augustus 2017, maar voor het zo ver was moesten we ons eerst door een zeldzaam lelijk gespeelde ‘Leonore 3’ van Beethoven worstelen. Mijn God! Ik heb al het een en ander in mijn leven meegemaakt, maar zoiets? Nu behoort de opera, noch één van de (alternatieve) ouvertures tot mijn lievelingscomposities, maar mits goed gespeeld kan het mij heel wat plezier bezorgen. Zo niet maandag. Sakari Oramo heeft het werk onherkenbaar verminkt en tot een onherkenbare brij van klanken gekneed.

Gelukkig duurde de marteling niet lang en wat er op volgde heeft mij niet alleen alle “Leonore’s” van de wereld, maar ook de wereld zelf vergeten.

‘Knoxville, Summer of 1915’ is misschien het bekendste werk van de in Nederland nog steeds schaamteloos en schandelijk verwaarloosde Amerikaanse toondichter Samuel Barber.

Barber componeerde het stuk in 1947 naar het prozagedicht van James Agee, toen zijn vader op zijn sterfbed lag. De nostalgie en de weemoed, het verlangen naar vroeger, naar de tijd toen je nog kind was en alles vanzelfsprekend, dat alles sprak hem meteen aan. Maar er was meer. Agee, die min of meer een leeftijdsgenoot van Barber was schreef het gedicht ter nagedachtenis van zijn vader die in 1916 bij een auto-ongeluk was omgekomen waarna de familie Knoxville verliet om er nooit meer terug te keren.

‘Knoxville, Summer of 1915’ werd voor het eerst uitgevoerd door Eleanor Steber in 1948, waarna het lied nog lange tijd aan haar naam verbonden zou blijven, ondanks de – schitterende soms – vertolkingen door veel vooraanstaande sopranen zoals Leontyne Price, Dawn Upshaw en Roberta Alexander.

Ook Renée Fleming heeft het lied al langer op haar repertoire staan, zij heeft hem zelfs al in 216 voor Decca opgenomen, met hetzelfde Zweedse orkest onder hun Finse dirigent Sakari Oramo.

Geen wonder dat de zangeres en het orkest een perfecte eenheid wisten te bereiken: onder Oramo heeft het orkest zich liefdevol naar de stem van de sopraan onderworpen. Ze bleven alert genoeg om de juiste accenten op de juiste plekken te zetten, maar voor de rest bleven ze op de achtergrond, om zo alle ruimte voor de tekst te creëren.

Fleming zong ongeëvenaard mooi. Haar stem is dan wat dunner in de hoogte geworden en perfect was het allerminst, maar het deerde niet. Sterker: doordat haar perfectie nu minder perfect was kwam een echte artist in haar naar buiten, waardoor haar optreden een onvergetelijke indruk op mij heeft achtergelaten. Van mij mocht het nog langer duren!

Dat vond de zangeres zelf blijkbaar ook en trakteerde ons op een kleine toegift, ‘Sure on this shining night’ van Barber, waarvoor een grote bravo. Zo bleven we niet alleen bij de componist maar ook de sfeer veranderde niet.

Renée Fleming on Barber’s  ‘Sure on this shining night’:

Na de pauze veranderde de sfeer enigszins: de intimiteit en de weemoed van Barber maakten plaats voor de overweldigende klanken van Strauss. Hier was Fleming nog meer in haar element en maakte de transfiguratie van Daphne niet alleen hoorbaar, maar ook voelbaar. En zichtbaar, want gelijk de nymf zelf verdween ook de zangeres uit het zicht en de laatste maten kwamen al van ver. Zeer indrukwekkend.

Ook na ‘Daphne’ was er nog ruimte voor een toegift, ‘Morgen’ van Richard Strauss. Kunt u het droog houden als u het lied hoort? Ik niet. Fleming zong meer dan subliem, haar fluwelen fluistertonen waren mooier dan mooi en de violist liet horen dat er in het orkest best bekwame musici zaten.

De wereld stond even stil en het allerlaatste waar ik toen nog behoefte aan had was de derde symfonie van Schumann, zeker als het vertolkt zal gaan worden door dit orkest en door deze dirigent. Ik nam de laatste woorden van het lied: ’… Glückes stummes Schweigen…’ ter harte en stilletjes glipte ik weg, met de goddelijke klanken nog in mijn hoofd.

De nacht was zwoel en het rook er naar versgemalen gras en aardbeien. Net als in de zomer 1915 in Knoxville, Tennessee van James Agee.

Daniele Gatti dirigeert HAYDN en MAHLER

Mahler ch

© Ron Jacobi

Daniele Gatti is een ware klanktovenaar. Dat het hem menens is, daar kan niemand die het concert van 24 augustus 2017 bijgewoond had aan twijfelen.

De betovering begon meteen al met Haydn, niet een componist die dagelijks op het programma van het Concertgebouworkest staat. Het werd dan ook niet een alledaagse Haydn, want het volkse vermaak dat vaak zijn symfonieën siert was in het geheel afwezig.

Gatti liet het orkest mijn oren zachtjes strelen, zo zacht en zo teder dat ik ongewild aan een porseleinen ballerina moest denken, die op een dun koord balanceerde. Delicaat, kwetsbaar en zo zacht dat ik mij niet meer op mijn gemak voelde en naar wat meer geluid ging verlangen. Dat kwam niet.

Ook niet in het plompe laatste deel die de symfonie de bijnaam “De Beer heeft bezorgd. Had Gatti maar aan de tempoaanduiding (er staat toch echt ‘Vivace Assai’ bij) toegegeven! Helaas. Mijn aandacht verslapte en mijn gedachten gingen ergens anders heen. Jammer.

Ook in zijn interpretatie van de vierde symfonie van Mahler liet Gatti zich voornamelijk als de schepper van mooie tonen kennen. Soms leek hij op een illusionist die voorzichtig met doorzichtige zeepbelletjes jongleerde.

De dirigent heeft ooit verklaard sterk in een verrassingselement te geloven. Voor hem werkt een interpretatie beduidend sterker als het onverwacht is en soms zelfs tegen het verwachtingspatroon van de luisteraar werkt. Hij meende het.

Het begon met een vreemde opstelling van het orkest, wat inderdaad tot een verrassende klankresultaat heeft geleid. Telkens moest ik mij in mijn arm knijpen, want wat ik hoorde riep andere herinneringen en andere emoties op dan ik in mijn hoofd (en wellicht tussen mijn oren) had opgeslagen.

Het eindeloos lang uitgerekte derde deel was dermate traag en zacht dat ik het gevoel kreeg dat het orkest stopte met spelen waardoor ik alleen de ademhaling van mijn naaste buren kon waarnemen. Het maakte mij confuus en ik voelde mij unheimisch..

 

Mahler Reiss

Chen Reiss

Dat gevoel bleef ik houden, daar kon zelfs de werkelijk hemels zingende Chen Reiss niets aan veranderen. Jammer genoeg had men haar achter het orkest opgesteld, wat het ‘wondermooie klanktapijt-gevoel’ behoorlijk versterkte maar waardoor de betekenis van wat zij zong ergens halverwege de blazers werd kwijtgeraakt.

In mijn beleving dirigeerde Gatti louter ‘op klank’ wat in een hallucinerende, poëtische visie op de symfonie resulteerde, maar waar een echte emotie ontbrak. Het was een buitengewoon fraaie, maar ook een buitengewoon steriele Mahler 4. Wat ik miste was het aardse onderbuikgevoel, het spelen ‘vanuit het kruis’.

Soms kan iets té mooi zijn om er nog van te kunnen genieten.

 

Het slotapplaus © Ron Jacobi

 

Het concert is terug te beluisteren op de site van Radio 4

http://www.radio4.nl/gids/2017-08-24/559182/zomeravondconcert

Joseph Haydn: Symfonienr.82 in C, ‘L‘ours‘
Gustav Mahler: Vierde symfonie in G
Koninklijk Concertgebouworkest olv Daniele Gatti
Chen Reiss (sopraan)

Gehoord op 24 augustus 2017 in het Concertgebouw in Amsterdam

 

ALMA QUARTET speelt Debussy, Ravel, Sjostakovitsj en Schulhoff

alma-kwartet-lotte-van-raalte

© Lotte van Raalte

Een soort Siamese tweeling zijn het, de strijkkwartetten van Claude Debussy (1893) en Maurice Ravel (1902-1903). Niet alleen in hun opbouw, ook de delen zelf dragen vrijwel identieke aanduidingen. Wat bij Debussy ‘Assez vif et bien rhytmé’ heet, is bij Ravel ‘Assez vif – Très rhytmé’. Ook het sterk impressionistische derde deel van Debussy heeft een gevoelsgelijke broertje bij Ravel, al is het laatste aardser en iets minder vaag. Niet zo verwonderlijk: Ravels kwartet was gecomponeerd als een ode aan Debussy.

Daar, waar de meeste kwartetten hun best doen om de verschillen tussen de beide werken te accentueren, legde het Amsterdamse Alma Quartet juist de nadruk op hun gelijkenis, waardoor Ravel af en toe zelfs als een bijna letterlijke kopie van Debussy klonk. Voor mij werkte de aanpak zeer verhelderend en ik zou ze graag naast elkaar op een cd willen (her)beluisteren.

De keuze voor de tempi vond ik soms best merkwaardig. Voornamelijk de langzame delen kregen een super softe behandeling waardoor ze in een eeuwig durende oase van rust en zoetere dan zoete klanken veranderden. Heel erg mooi, dat wel, maar men paste het iets te vaak toe, waardoor het op den duur een beetje ‘slepend’ werd in mijn oren.

Alma schulhoff houtsnee

Erwin Schulhoff in 1924. Houtsnee van Conrad Felixmüller. Lindenau-Museum, Altenburg, VG Bild-Kunst

 

Net als Debussy, zijn leraar, en zeer zeker Ravel, stond ook Schulhoff open voor alles, alleen voerde hij het nog verder door, tot in het extreme. “Muziek moet voornamelijk fysiek plezier, zelfs een extase bij de luisteraar teweegbrengen. Zij is geen filosofie, haar oorsprong ligt in de extatische situaties en haar uiting in het ritme”, schreef Schulhoff in 1919. Geen wonder, dat de synthese van jazz en klassieke muziek voor hem niet alleen een uitdaging, maar zelfs zijn artistieke credo was.

Dat hoor je ook in zijn tweede strijkkwartet uit 1925, waarin hij behalve de door jazz geïnspireerde ritmiek ook de Tsjechische volksmuziek verwerkte. Het Alma Quartet speelde het werk zeer levendig, met een voorbeeldige punctatie en een klank waar je in zou kunnen willen verdrinken. Meesterlijk.

 
Alma shostakovich-SQ8

Geen complexer strijkkwartet het nummer acht van Sjostakovitsj. De musicologen bestrijden elkaar in het zoeken naar de verborgen betekenissen: was het een aanklacht tegen het fascisme of juist niet? Volgde hij hiermee de lijn van de partij of verzette hij er zich juist tegen?

Allemaal flauwe kul, uiteraard, want alles wat Sjostakovitsj wilde zeggen staat gewoon in de noten. Dat hij met zijn eigen initialen DSCH rijk strooide? Niet voor de eerste keer, bijna al zijn werken zijn er mee gelardeerd. Dat hij zo veel citaten van zijn andere stukken hier in verwerkte? Ook niets nieuws: componisten citeren zichzelf graag, zeker als ze in tijdnood komen (het kwartet is gecomponeerd in drie dagen). Of als ze denken dat ze al eerder iets briljantst hebben gemaakt (een inderdaad geniale tweede pianotrio in dit geval).

Programmatisch stuk of niet: prachtig is het wel. Niets voor niets is het één van de meest gespeelde kwartetten uit de twintigste eeuw!

De Alma’s hebben het kwartet gespeeld als één geheel, waarin alle delen naadloos in elkaar overgingen, zo doende een eendelige symfonie voor strijkkwartet creërend. Prachtig vond ik het, want zo kon men niet alleen beter de herhalingen en de citaten daar uit vissen maar ze ook met elkaar in verbinding brengen. Het was alsof ze wilden zeggen: hou nou eens op met dat eindeloze geouwehoer en luister naar de muziek pur sang! Of dat de bedoeling was weet ik natuurlijk niet, maar zo heb ik het ervaren, waarvoor ik de heren meer dan dankbaar ben.

En toen was er een toegift: het Romance uit het Divertimento for String Quartet op.14 van Schulhoff, een prachtige belichaming van de romantisch-sentimentele kant van de componist. Als tempoaanduiding staat er ‘Ruhig fliessend’ bij en zo hebben de heren het gespeeld, ‘rustig voorbijvliegend’, vrij vertaald dan.

Marc Daniel van Biemen kondigde het stuk aan met een verontschuldigende glimlach op zijn gezicht, het duurde maar kort, zei hij. De toevoeging, die snap ik wel: de helft van het publiek was toen al weg. Duurde het concert ze te lang? Voor mij mocht het eeuwig doorgaan.

Alma

Gelukkig werd het optreden gisteren live uitgezonden en wie er niet bij was – maar ook wie er bij waren en net als ik wilden dat het concert nooit eindigde – kan het op de radio terugluisteren:

http://www.radio4.nl/gids/2017-07-11/558932/avondconcert

Strijkkwartetten van Schulhoff door het Alma Quartet:
ERWIN SCHULHOFF strijkkwartetten door ALMA QUARTET

Website van het kwartet:

https://www.almaquartet.com/

Strijkkwartetten van Schulhoff, Debussy, Sjostakovitsj en Ravel
Alma Quartet: Marc Daniel van Biemen, Benjamin Peled (viool), Jeroen Woudstra (altviool), Nitzan Laster (cello)

Gehoord 11 juli 2017 in de Kleine Zaal van het Concertgebouw in Amsterdam

Koninklijk Concertgebouworkest speelt THE BEST OF BERNSTEIN

Bernstein

Als aanloop naar een herdenkingsjaar van Leonard Bernstein – de alom geliefde componist, dirigent en pianist zou in augustus 2018 honderd jaar zijn geworden – zette het Koninklijk Concertgebouworkest, onder de noemer ‘RCO/Bernstein 2017’, dit jaar al zijn muziek vaker dan gewoonlijk op de lessenaars.

Op vrijdag 7 juli was het de beurt aan de Engelse dirigent John Wilson om het orkest te leiden in een all-Bernstein programma, met allemaal hoogtepunten uit zijn werk voor het muziektheater.

Bernstein john-wilson-sim-canetty-clarke

John Wilson © Sim Canetty-Clarke 

Men zegt Wilson, men denk: musicals! Niet ten onrechte. Met zijn eigen orkest wijdt hij zich al jaren aan het uitvoeren van de hits uit Broadway en Hollywoodklassiekers, waar hij vaak arrangementen voor verzorgt; en zijn programma met werken van Bernstein behoort tot één van grootste hoogtepunten ooit op de Londense Proms.

Musical is weer in, althans volgens de auteur van het meer dan summier (geen liedteksten, geen synopsis van de uitgevoerde werken, geen woord ook over de artiesten) programmaboekje. Dat het zo is komt voornamelijk door het succes van de film La La land. Zou het? Zelf geloof ik er niets van. Musicals zijn al jaren buitengewoon geliefd, ook in Nederland. En afgaand op de gemiddelde leeftijd van de bezoeker van het concert – volgens mij hebben ze allemaal nog de eerste vertoning van West Side Story in de bioscopen meegemaakt – is het niet iets van recente datum.

dav

Voor die gelegenheid werd de grote zaal van het Concertgebouw getooid met de stemming vergrotende verlichting en het feest kon beginnen. En een feest werd het!

Het programma was opgezet niet alleen als eerbetoon aan de grote Bernstein maar ook als ode en liefdesverklaring aan New York. De toon werd meteen gezet met een swingende medley uit On the Town, met solootjes voor de tenor Julian Ovenden en bariton Nadim Naaman. Nee, Frank Sinatra en Gene Kelly waren ze niet, maar ze kwamen best dichtbij.

 

 

Van het duo wist Ovenden mij het meest te imponeren. Met zijn zeer soepel gevoerde lyrische tenor met een aangenaam timbre zette hij een zeer overtuigende Tony (West Side Story) neer. De door hem zeer gevoelig vertolkte ‘Maria’ was dan ook één van de hoogtepunten van het programma.

 

Bernstein scarlett-strallen-nc

Scarlett Strallen © nc

Na haar eerste song, ‘Dream with me’ uit Peter Pan, was ik een beetje sceptisch over Scarlett Strallen. Haar optreden kwam mij onzeker over, aarzelend bijna. Maar gaande weg kwam ze haar zenuwen te boven en aan het eind gaf ze een onvergetelijke uitvoering van ‘Glitter and be gay’ uit Candide. Haar coloraturen waren onberispelijk en haar acteren meer dan overtuigend. Daarbij werd zij geholpen door een hilarische gebruik van kralenkettingen die zij tevoorschijn gehaald uit haar decolleté. Iets wat zij al eerder deed tijdens de Proms:

(meer…)

PLÁCIDO DOMINGO in Ziggo Dome, Amsterdam 2013

Domingo affiche

Veni vidi vici. Plácido Domingo had het na donderdagavond 13 juni 2013 kunnen zeggen. De uitverkochte Ziggo Dome (ja, u leest het goed, de enorme zaal was vol!) ging los als was het een popconcert. Terecht. Al is de maestro de jongste niet meer, zijn stem wil niets van ouder worden weten.

Domingo arena

© Vera Klijn

De avond telde allerlei verrassingen, wat de pret eigenlijk alleen maar vergrootte:

1. Ondanks de wanhopige berichten in de kranten was de zaal vrijwel helemaal vol.

 

2. Er was geen programmaboekje. De namen van de twee gastsopranen werden geprojecteerd op het scherm, voor de rest mocht je lekker gissen wat ze aan het zingen waren.

 

3. Het Orkest der Lage Landen, een orkest waar ik nog nooit eerder van had gehoord, deed mij verbaasd staan. Onder leiding van Walter Proost speelden ze de sterren naar beneden.

 

Domingo m

© Vera Klijn

Al bij het allereerste nummer, de ouverture van Der fliegende Holländer, zat ik op het puntje van mijn stoel. De Nabucco-ouverture was meer dan meeslepend en in het lichtere genre (Leichte Kavallerie van Franz von Suppé) werd ook het publiek erbij betrokken. Proost draaide zich om en dirigeerde de zaal, die met het orkest mee klapte. In het ritme.Ik was hoogst verbaasd hoeveel mensen zich er echt op gekleed hadden! Natuurlijk, de obligate spijkerbroeken waren meer dan vertegenwoordigd, maar ik merkte ook dames in avondkledij op. Of je het wilt of niet: het is altijd sfeerverhogend.

4. Het repertoire. Niemand maakte zich er met een jantje-van-leiden vanaf. Van Wagner gingen we naar Verdi en via de operette en de zarzuela belandden we bij musicals. En dat alles op topniveau. Doe ze het na!

5. Het was een avondje uit in een tempel van de lichte muze, dus kregen we er ook iets van een show bij. Lichten, lichstralen, noem maar op.

 

Domingo zaal

Is Domingo ’s werelds beste tenor? Voor mij wel, zeker als ik het over de laatste dertig jaar van de vorige en de eerste tien van deze eeuw heb. Nu zijn hoge noten het laten afweten heeft hij zich op baritonrollen gericht en dat doet hij met de hem gebruikelijke overgave en muzikaliteit.

 

Domingo EPA

© EPA

Nee, hij is geen bariton, zijn timbre is nog steeds dat van een tenor, maar hij weet hierin meer te overtuigen. Misschien moeten we gewoon constateren dat hij de muzikaalste van alle tenoren is? Een fenomeen dat maar eens in de honderd jaar wordt geboren?

Zijn Siegmund staat nog steeds als een huis en de Verdi-duetten (La Traviata en Il Trovatore, geen makkelijke kost voor een bariton) bewezen niet alleen zijn muzikaliteit, maar ook de humane kant van de mens en artiest Domingo. Iedere keer als zijn partner ‘aan het woord’ was, nam hij een stapje terug en liet haar in de schijnwerpers schitteren.

Domingo

© Vera Klijn

Na de pauze werd het tijd voor de licht(ere) muze. ‘Dein is mein ganzes herz’ werd al bij de eerste maten op gejuich van het publiek getrakteerd en toen was de pret niet meer te stuiten.

‘So muss allein ich bleiben’ uit Die Fledermaus was zowat de koddigste dat ik ooit heb gehoord en daar gingen ook nog eens de beentjes omhoog. Ook die van de toeschouwers.

Na het wonderschoon mooi door Angel Blue gezongen ‘De España vengo’ (El niño Judío van Pablo Luna) en een duet uit Luisa Fernanda kwamen we via de heerlijke ‘Tarantula’ uit La Tempranica bij ‘Amor, vida de mi vida’ (Maravilla van Moreno) terecht. Toen moest ik even een traan wegpinken, maar dat duurde niet lang, want daarna kwamen de encores.

Plácido Domingo zingt ‘Besame mucho’:

 

 

‘I could have danced all night’, ‘Besame mucho’ (hmm… daar zou ik niets op tegen hebben), ‘Yes I can, no you can’t’ uit Annie get your gun en als afsluiting het door alle drie de solisten gezongen ‘If I loved you’ uit Carrousel – ik vond het heerlijk.

Placido Domingo zingt “If I loved you” met Angel Joy Blue en Micaëla Oeste, Amsterdam June 2013

De twee jonge sopranen die Domingo begeleidden, Angel Blue en Micaëla Oeste, waren een lust voor het oog. Mijn voorkeur ging uit naar de zeer charismatische Blue. Zij wist me niet alleen in het lichtere genre maar ook in ‘Dich, teure Halle’ uit Tannhaüser te overtuigen. Van haar horen we meer!

Angel Blue zingt ‘I could have danced all night’:

 

Who is afraid of Ziggo Dome? Ik in ieder geval niet meer. De zaal is inderdaad immens, maar op de een of andere manier doet hij intiem aan en de akoestiek is er werkelijk heel goed. Natuurlijk zongen ze met een microfoon – dat kan ook niet anders – maar merkwaardig genoeg had je er amper last van. Het geluid kwam heel natuurlijk over.

Domingo b

© Vera Klijn

Meer Angel Blue:  Angel Blue

JONAS KAUFMANN & EVA-MARIA WESTBROEK. Holland Festival 2017

kaufmann-eva-maria-westbroek-jochen-rieder-at-holland-festival-2017-janiek-dam-11

© Janiek Dam

Finally the day of the much-anticipated recital by star tenor Jonas Kaufmann was there.

 

Why did Amsterdam have to wait for him so long? Too expensive, too busy, too ….? A lot of speculating went on before the concert, caused by his recent cancellations. But Kaufmann came, saw, and conquered. Star soprano Eva-Maria Westbroek and the energetic Residentie Orkest led by Jochen Rieder contributed to the huge success of the afternoon as well.

 

jonas-kaufmann-eva-maria-westbroek-jochen-rieder-at-holland-festival-2017-janiek-dam-7

© Janiek Dam

Expectations were high, and the hall was filled with fans, buzzing with excitement from the start. In spite of this, Kaufmann made a cautious start,  visibly suffering from nerves.

As much as I loved his singing (very much, in fact), in his first aria ‘Celeste Aida’ Kaufmann had problems winning me over. Part of the problem had to do with his volume. Even with the sympathetic and delicate back-up by the Residentie Orkest he was difficult to hear at times from my seat. His pianissimi and mezza voce phrases were breathtaking, as beautiful as his diminuendo at the end of the aria, but did he make a convincing warrior? Not to me.

‘La vita è inferno all’infelice’ from La Forza del Destino almost went off the rails because of the lethargic tempi. Kaufmann sang heavenly, but taken as slow as this there was hardly any tension, and the fluctuations of the voice made a quasi-artistic impression. Did this matter? No, not really, but with better tempi perfection could have been achieved.

Jonas-

© Janiek Dam

I do not know if Eva-Maria Westbroek ever sang ‘Tu che le vanità’ from Don Carlo before, but on Sunday it sounded like she had sung little else but Elisabetta her entire life. Completely immersed in the scene, she sang as if her life depended on it, flinging the aria into the hall. What an actress!

Westbroek’s emotions dominated the love duet from Otello. Thanks to her ‘Gia nella notte densa’ became the undeniable highpoint of the first half of the concert. Both singers were at their most lyrical and genuine here, treating the audience to a classic love scene that would not be out of a place in an old Hollywood classic. Involuntarily, I had to think of Laurence Olivier and Vivien Leigh and those moments of deceiving stillness before the storm.

Kaufmann will add Otello to his repertoire in a few days, and people await it like a new Star Wars movie. Personally I still have doubts which Kaufmann could not erase on Sunday. He is much more the insecure and soft lover than the ruthless warrior. But perhaps I am wrong and he will give us an Otello that will even surpass Domingo’s portrayal?

Kaufmann Walkure

I have no complaints whatsoever about the second half of the concert, not even a quibble. Wagner and his Walküre are familiar grounds for both singers who thoroughly understand Siegmund and Sieglinde. I honestly cannot think of another pair of singers who could do what they did.  Everything was there: fear, resistance, and predominantly love, a lot of love. Perfect beauty is the only way to describe it.

The orchestra also sounded much more intense after intermission. Wagner sounded much closer to them than Verdi, I felt. In particular the Rienzi-overture, performed with great panache and drive was spectacular.

There was room for a real rarity on the program as well (bravo for that!), the Preludio that Verdi supposedly composed as an overture for Otello. This piece was recorded for CD by Riccardo Chailly, but the authenticity of it has been questioned. Rightly so. It is truly a miserable thing. Besides the Jago-motive you recognize parts of the ‘Esultate’ in it too. I did enjoy hearing it nevertheless, mainly for the great enthusiasm the orchestra played it with.

This was obviously not the first time Kaufmann and Jochen Rieder performed together. Their interaction on stage was affectionate and companionable, and they supported and supplemented each other well. Very moving to see.

The ovations at the end of the concert did not seem to end. People were hoping for an encore, which did not come. Personally I would have loved to hear more too, but both singers were obviously tired, and the program already was very heavy. Besides, what on earth could you sing as an encore after the final scene of the first act of Walküre?

Kaufmann

© Ron Jacobi

Those who missed the concert might be relieved knowing the NTR recorded it for a broadcast on June the 20th. Do not miss it!

Video of the final ovations:  © Ron Jacobi

Jonas Kaufmann, tenor
Eva-Maria Westbroek, soprano
Residentie Orkest led by Jochen Rieder

Performance reviewed: 4th of June 2017, Concertgebouw Amsterdam

English translation: Remko Jas