discografieën

VERDI: SIMON BOCCANEGRA. Enkele opnamen tussen 1957 – 2007

 

Simon standbeeld

Mogelijke voorstelling van Simone (of Guglielmo) Boccanegra aan het Palazzo San Giorgio (Genua). (bron: Wikipedia)

De echte Simone Boccanegra, de allereerste doge van Genua, was in tegenstelling tot zijn broer Egidio helemaal geen zeerover. Het was de Spaanse dichter Antonio Garcìa Gutièrrez  die van de twee personages één had gemaakt, waardoor een extra dimensie aan het verhaal werd toegevoegd.

Simon-Boccanegra1857

Het verhaal zelf is inderdaad zeer complex, maar niet moeilijker om na te vertellen dan bijvoorbeeld Il Trovatore. Toch was de première in 1857 een fiasco, waarna de opera voor meer dan 20 jaar in de la verdween.

In 1880 besloot Verdi het werk volledig te reviseren, waarbij hij geholpen werd door Arrigo Boito. Een gouden greep, die tevens het begin van de vruchtbare samenwerking tussen beide componisten betekende.

Boito bewerkte het libretto grondig, maakte een nieuwe finale voor de eerste acte (de raadsscène), en diepte het karakter van de hoofdpersoon uit. Het mocht niet baten: tot de tweede helft van de twintigste eeuw werd de opera maar mondjesmaat opgevoerd en nog steeds zijn er mensen die het werk onevenwichtig en saai vinden. Hoe onterecht!

Zelf vind ik  het één van de spannendste en mooiste opera’s van Verdi, met een zeer sterk en menselijk verhaal, en de mooiste bas-aria  ooit (‘Il lacerate spirito’).

Giulio Neri zingt ‘Il lacerate spirito’:

Toegegeven: de opera is een soort hybride met een mix aan stijlen, want naast de typische “middenverdiaanse” muziek die af en toe sterk aan die van Trovatore, Ballo in Maschera of Rigoletto doet denken, klinkt er al de voorbode van Otello in door (tweede scène van de eerste acte bijvoorbeeld, wanneer de ontvoering van Amelia wordt bekendgemaakt). Niet erg, want dat maakt het werk juist gevarieerd en verrassend.

Men zegt dat de opera donker is, en dat klopt wel. Zij is ook intriest, met voornamelijk melancholisch en droevig stemmende muziek, en met maar één lichtpuntje: ‘Come in quest’ora bruna’, Amelia’s ode aan de schoonheid van hemel en zee. Maar zelfs daar klinkt de weemoed in door.

Ook het feit dat de vier van de vijf  mannelijke hoofdrollen gezongen worden door zangers met lage stemmen, is uiteraard  zeer bepalend voor de muziekkleuren.

1957

 

Simon Gobbi

De eerste studio opname van Simone Boccanegra  werd in 1957 door EMI (tegenwoordig Warner Classics 2435674835) gemaakt. Onder leiding van Gabriele Santini werd een werkelijk schitterende cast verzameld: Tito Gobbi als Simone, Boris Christoff als Fiesco en Victoria de los Angeles als Amelia. Heel erg mooi.

spotify:album:07hrn8x3yyTKFxofzYSDAr

1973

Simon RCA

In 1973 nam RCA de opera op (RD 70729). Gianandrea Gavazenni dirigeert sloom en weinig opwindend. Jammer eigenlijk, want de bezetting is voortreffelijk. Het is één van de eerste opnamen van Katia Ricciarelli, een zangeres met de lyriek van een nachtegaal. Haar Amelia is zo zuiver, zo maagdelijk – een tienermeisje eigenlijk nog, die haar geheimpje dolgraag iets langer voor zichzelf wil houden. Ook haar liefde voor Adorno is niet echt aards, maar ja, Amelia is in feite al bijna dertig!

Katia Ricciarelli zingt ‘Come in quest’ora bruna’:

Piero Cappuccilli is een schitterende Simon en Ruggero Raimondi een prima Fiesco. Als Adorno is Plácido Domingo iets te dominant en standvastig, al is zijn zingen uiteraard onberispelijk


1977

Simon Abbado

In 1971 dirigeerde Claudio Abbado een magistrale en thans legendarische uitvoering van Boccanegra in La Scala. De regie was in handen van Giorgio Strehler en de prachtige decors werden ontworpen door Ezio Frigerio. In 1976 werd de productie in het ROH in Covent Garden vertoond. Jammer genoeg werd er geen officiële (er zijn wel ‘piraten’ in omloop) video van gemaakt, maar de volledige cast dook wel de studio in, en in 1977 werd de ultieme ‘Simone’ opgenomen (DG 4497522).

Abbado behandelt de score met zoveel liefde en zoveel eerbied als was het het grootste meesterwerk allertijden, en onder zijn handen verandert het ook in een meesterwerk zonder weerga. Wat een spanning, en hoeveel nuances! Het is zo, zo mooi, dat je er werkelijk om kan huilen.

Ook de bezetting is de beste ooit. Piero Cappuccilli (Simon) en Nicolai Ghiaurov (Fiesco) zijn aan elkaar gewaagd. Zowel in hun vijandschap als in de verzoening zijn zij diepmenselijk en altijd overtuigend, en in hun laatste duet aan het eind van de opera smelten hun stemmen samen  in een bijna bovennatuurlijke symbiose:

Daarvoor lieten zij al alle gamma’s aan gevoelens en stemmingen passeren, van smartelijk tot grievend, en van liefhebbend tot hatend. Hoor alleen maar Cappuccilli’s lang aangehouden ‘Maria’ aan het slot van het duet met zijn doodgewaande en teruggevonden dochter (‘Figlia! A tal nome palpito’)

José van Dam is een voortreffelijk vileine Paolo en Mirella Freni en Jose Carreras zijn een ideale liefdespaar. De jonge Carreras had een stem die zowat geschapen lijkt voor de rol van Adorno: lyrisch en een tikje driftig, waardoor Gabriele’s onbezonnenheid wordt onderstreept. Freni is meer dan alleen maar een naïef meisje, ook in haar liefde voor Adorno toont zij zich een vrouw van vlees en bloed.


1961

simon-boccanegra-gobbi-zampieri-gencer-gala-100-508-5

In 1961 werd in Wenen een prima voorstelling van Simon live opgenomen (Gala GL 100.508). Gianandrea Gavazzeni is spannender dan op zijn RCA-studio-opname, maar hij haalt het niet bij Abbado.

Toch is deze opname zeer de moeite waard, niet in de laatste plaats vanwege Amelia van Leyla Gencer. De Turkse sopraan was de evenknie van Callas, had alleen maar veel minder geluk en moest het zonder platencontract te stellen. Tito Gobbi is een voortreffelijke Simone, en ook op de rest van de bezetting valt weinig aan te merken.

Leyla Gencer en Tito Gobbi in ‘Figlia! a tal nome palpito’:

(meer…)

Advertenties

GIUSEPPE VERDI: LA FORZA DEL DESTINO

Forza poster

La Forza del Destino (De macht van het noodlot) gaat over – hoe raad u het? – de macht van het noodlot. En over de gewroken eer.

Alvaro, Peruaanse prins van een Inca afkomst reist incognito door Spanje om eerherstel van zijn ter dood gebrachte ouders te bewerkstelligen. Onderweg wordt hij verliefd op een dochter uit een welgestelde adellijke familie, de liefde is wederzijds, maar de kans om te kunnen trouwen nihil: zie hier de ultieme liefdesdrama. De geliefden besluiten te vluchten en vanaf hier neemt noodlot het heft in handen en bezorgt ons een onwaarschijnlijke reis door tijd en plaatsen.

Daar er niets gebeurt zonder reden, hier de belangrijkste: dankzij het ietwat warrige, maar o zo mooie drama heeft Verdi ons leven verrijkt met één van de mooiste opera’s ooit, met onvergetelijke aria’s en duetten en dé ouverture. En dan te bedenken dat het voorspel er aanvankelijk niet in zat!

Bij de première in 1862 in Sint Petersburg werd de opera nog vooraf gegaan door een korte prelude. Pas zeven jaar later, toen Verdi de opera nog eens ter hand heeft genomen, verving hij de prelude door de ons overbekende ouverture.

 

Petersburg 1995

 

Forza Gergiev

Van de eerste, Petersburgse versie bestaat een zeer goede uitvoering: de door Valeri Gergiev gedirigeerde en met de sterzangers van het Mariinski Theater bezette opname uit 1995. Deze opname is een absolute must. Niet alleen omdat het om de oorspronkelijke versie gaat, maar ook omdat de uitvoering weergaloos is.

Gergiev dirigeert zeer ferm en de drama is zinderend. Gegam Grigorian is een fenomenale Alvaro, voor mij is hij zonder meer één van de allerbeste vertolkers van die rol.

Galina Gorchakova overtuigt als een verscheurde Leonora en Nikolai Putilin is een prima Carlo. De opname is waarschijnlijk moeilijk verkrijgbaar, maar u kunt het in zijn geheel beluisteren op Spotify.


Richard Tucker

 

Forza Tucker solo

Richard Tucker als Alvaro © Sedge LeBlang/Opera News Archives


De Amerikaanse tenor was één van de beste Alvaro’s in de jaren vijftig en zestig van de twintigste eeuw. Als je goed naar zijn opnamen luistert dan weet je meteen waarom: Tucker beschikte over een grote, goed gevoerde en sterk resonerende spinto-tenor, met warme en emotionerende ondertonen. Hij heeft de rol vaak gezongen en daar bestaan een paar opnamen van.

 

.

In 1954 zong hij de rol tegenover Leonora van Maria Callas. Hoe ik ook mijn best niet doe: van haar Leonora word ik niet echt warm. Sterker, zij irriteert mij. Maar toegegeven, haar ‘La Vergine degli Angeli’ klinkt prachtig, iets wat ik voornamelijk op conto van de ongekend ontroerend dirigerende Tulio Serafin schrijf.

Terug naar Tucker: luister even naar ‘Solenne in quest’ora‘, het duet tussen Alvaro en Carlo (schitterende Carlo Tagliabue):

wedden dat je de hele wereld vergeet? (Warner 5646340002)


 

 Forza Gre

Zes jaar later, in 1960 zong Richard Tucker de rol van Alvaro in Buenos Aires. Zijn grote aria ‘La vita è inferno’ klinkt nog indrukwekkender dan bij Serafin. Wie hier niet geroerd door raakt, heeft geen hart. Zo denkt ook het Argentijnse publiek er zeer hoorbaar over en trakteert hem op een enorm applaus.

Zijn Leonora is niemand minder dan onze eigen Gré Brouwenstein. Het is heel erg jammer dat de kwaliteit van de opname veel te wensen overlaat, want wat Brouwenstein hier laat horen is op zijn minst bijzonder.

Aldo Protti is een niet helemaal overtuigende Carlo, maar Mignon Dunn is een meer dan spannende Preziosilla. Fernando Previtali dirigeert zeer behoedzaam (Archipel WLCD 0310)

Forza Price Tucker

We schuiven nog eens vijf jaar vooruit. In 1965 mocht Tucker zijn Alvaro in de studio van RCA opnemen. In die opname klinkt hij iets minder betrokken dan in Buenos Aires, geen wonder, live is immers live. Hij klinkt ook milder, alsof hij heeft besloten in zijn lot te berusten. Wat eigenlijk ook zo was.

Leonora werd onvoorstelbaar prachtig gezongen door Leontyne Price en Robert Merrill (Carlo) geeft een openbare masterclass in het ‘Verdi-zingen’.

Robert Merrill zingt ‘Morir! Tremenda cosa!’

Tel daarbij een speelse en sexy Preziosilla van Shirley Verett en uw avondje ‘Noodlot’ kan niet meer stuk.

Thomas Schippers dirigeert voortreffelijk (ooit RCA, tegenwoordig waarschijnlijk Briljant Classics).


 

(meer…)

DIE MEISTERSINGER VON NÜRNBERG.

Meistersinger scenefoto

Die Meistersinger von Nürnberg – Stolzings Probesingen. Gemälde von Michael Echter

Te midden van de tientallen cd’s en dvd’s van Die Meistersinger von Nürnberg ben ik de kluts een beetje kwijtgeraakt, dus de kans dat uw geliefde opname er niet tussen zit, is meer dan mogelijk. Ik heb het op naam van de dirigent gerangschikt, de zangers komen vanzelf aan de beurt. En: zullen we maar eens met de Nederlanders beginnen?

 

Jaap van Zweden

meistersinger van Zweden

7 februari 2009 was één van die middagen die nu al als legendarisch gelden, en dat niet vanwege de ongewone begintijd (11.00 uur ‘s morgens) en de lange duur (tot 17.00 uur in de namiddag). Jaap van Zweden tilde in het Concertgebouw in Amsterdam Die Meistersinger op tot een werkelijk ongekend hoog niveau. En dan te bedenken dat het pas zijn tweede Wagner-opera was!

Niet minder imposant was de bezetting. Allereerst was er Robert Holl (Hans Sachs), die de rol al jaren achtereen tijdens de Bayreuther Festspiele zong en er helemaal mee was vergroeid. Met zijn soepel gevoerde sonore bas riep hij allerlei gevoelens op – het meest die van een diepe bewondering. Wat een vertolking!

Eike Wilm Schulte (Beckmesser) kroop helemaal in zijn rol van een oude intrigant, Burkhard Fritz was zeer geloofwaardig in zijn prachtig gezongen ‘prijslied’ en Rainer Trost was een mooie David. Barbara Havemann liet een gemengde indruk op mij achter. Ik had een groter en ronder geluid verwacht, maar misschien lag het aan de rol?
Om de sfeer te vergroten werd de foyer van het Concertgebouw destijds ingericht als een heuse ‘bierstube’: men kon plaats nemen achter lange houten tafels en zich tegoed doen aan zuurkool met worst.

De uitvoering werd gelukkig op cd uitgebracht, op QuattroLive (2009014s). De opname is via de vakhandel en de webwinkel van het Koninklijk Concertgebouworkest te koop, maar voor zuurkool met worst en het biertje moet u zelf zorgen.

 

Bernard Haitink

Meistersinger Haitink

Er zijn ten minste drie redenen om Haitinks Meistersinger (ROHS 008) aan te schaffen: de zoetgevooisde Walther van de te vroeg overleden Gösta Winbergh, de fenomenale Beckmesser van Thomas Allen en de dirigent zelf.

Haitink is minder uitgesproken dan Van Zweden. Zijn lezing is, zoals wij van hem gewend zijn, zeer degelijk. De opera werd tijdens de inmiddels legendarische ‘laatste avond’ (het Royal Opera House zou verbouwd worden en ging twee jaar lang dicht) op 12 juli 1997 opgenomen.


Wolfgang Sawallisch

5099973901822_wag_bl_cdq301e CD Booklet - Printers Pairs

Ben Heppner was in 1994 nog een volop lyrisch-dramatische Walther, met de nadruk op lyrisch. Zijn hoogte was stralend en hij zong met veel gevoel. Een Walther die ook Plácido Domingo gezongen zou kunnen hebben (iets wat hij overigens ook deed – hij kweet zich voortreffelijk van zijn rol, maar voor de rest is de opname niet echt aan te bevelen).

Cheryl Studer is voor mij één van de beste Eva’s ooit, en zal dat voorlopig ook wel blijven. Hetzelfde geldt voor Bernd Weikls Hans Sachs.

De stem van Deon van der Walt (David) heeft veel weg van Klaus Florian Vogt. Wie weet was ook hij richting Walther gegaan als zijn vader hem niet had doodgeschoten?

Het Bayerischer Statsorchest klinkt ‘himmlisch’ (Warner 5099973901822)         ).


 

Herbert von Karajan

untitled

Het beste voorbeeld van een David die ooit volwassen ging worden is bij Karajan geleverd. Tegenover de Walther van René Kollo (niet mijn kopje thee, maar ik moet toegeven dat zijn ‘prijslied’ prachtig klinkt) staat de David van niemand minder dan Peter Schreier.

Geraint Evans is hier een ietwat karikaturale Beckmesser, maar Helen Donath is een heerlijke, meisjesachtige Eva. En het orkestspel staat als een huis (Warner 5099964078823)      



Thomas Schippers

Meistersinger Schi[pers

Nu de Metropolitan Opera haar archieven heeft geopend, worden wij met veel schatten uit het tot nu toe verborgen Sesam verblijd. Deze Meistersinger werd op 15 januari 1972 opgenomen en ik moet nogmaals constateren dat er niets boven live gaat.

Schippers dirigeert adembenemend lichtvoetig en de ouverture vliegt bij hem voorbij, al doet hij er maar een halve minuut sneller over dan Karajan of Sawallisch.

James King is een triomferende Walther. Zeer macho ook – zo worden ze echt niet meer gezongen! Pilar Lorengar is een lichte Eva, een echt jong meisje (Sony 85304)

(meer…)

GIUSEPPE VERDI: Macbeth. Discografie

Macbeth cover

Cover van de eerste uitgave van de opera

Alles is relatief. Iets wat ooit een groot succes was, is niet verzekerd van een eeuwig en roemrijk leven. En omgekeerd. Soms gaat het zelfs heen en weer, van succes naar obscuriteit en weer terug. Dat leert ons de uitvoeringspraktijk van Macbeth wel.

De première van Macbeth in 1847 was zeer succesvol en jarenlang beschouwde Giuseppe Verdi het werk als één van zijn beste opera’s. Toen hij echter in 1865 de partituur weer eens inkeek om een paar voorstellingen in Parijs voor te bereiden, was hij er minder gelukkig mee. Een geheel herziene versie was het resultaat. Het succes bleef echter uit en pas halverwege de vorige eeuw begon een voorzichtige ‘Macbeth-revival’. In die tweede, ‘verbeterde’ versie.

Macbeth Oera Rara

Eind jaren zeventig besloot de BBC om een paar Verdi-opera’s in de oorspronkelijke versie op te voeren en Macbeth was er één van. Dankzij Opera Rara, een firma die zich sterk maakt voor vergeten opera’s (dus waarom ook niet voor vergeten versies van bekende opera’s?), is de opname op de markt gekomen.

Het is fascinerend om al de verschillen zelf te kunnen horen. Want het zijn er behoorlijk wat, voornamelijk in de laatste twee aktes. De slaapwandelscène is hetzelfde gebleven, maar het openingskoor in de derde akte (hier bijna gelijk aan ‘Va pensiero’) en het slot zijn totaal anders. En ‘La luce langue’, de magnifieke aria van Lady Macbeth, heet hier ‘Trionfai! Securi alfine’ en klinkt heel wat minder dramatisch, met veel meer coloraturen.

De uitvoering met onder anderen Peter Glossop, Rita Hunter, John Tomlinson en Kenneth Collins is uitstekend en het BBC Concert Orchestra onder leiding van John Matheson speelt zeer bezield (Opera Rara ORCV301).

Hieronder ‘Trionfai! Securi alfine’ door Rita Hunter:

 

DVD’s

Glyndebourne

Macbteh Glyndebourne

In Engeland werd Macbeth pas in 1938 voor het eerst opgevoerd, in Glyndebourne. Een paar jaar na de oorlog keerde de opera er terug en in 1972 werd hij voor de tv opgenomen en daarna op video (inmiddels dvd) uitgebracht. Het is, denk ik, één van de opnamen die in elke verzameling thuishoort. Toegegeven, het koor is een beetje knudde en de aankleding is echt ‘jaren zeventig’, maar wat een intense vertolkingen!

Josephine Barstowe is zonder meer één van de beste Lady’s die ik ken en Kostas Paskalis is een Macbeth om te zoenen (nou ja, zoenen!). Ook Banquo van James Morris is absolute topklasse (Arthouse Musik 102316).

Hieronder een korte geschiedenis van de opvoeringen van Macbeth in Glyndebourne:

“315” src=”https://www.youtube.com/embed/gMmYNcs5Too&#8221; frameborder=”0″ allowfullscreen></iframe>

Zürich

Macbeth Hapson

De in september 2001 in Zürich opgenomen productie van David Pountney (Arthouse Musik 101563) is allesbehalve traditioneel en is gelardeerd met symboliek, die balanceert op de grens van lachwekkendheid. De heksen lopen als een rode draad door de opera heen, letterlijk en figuurlijk.

Toch is de slaapwandelscène van Lady Macbeth bijzonder spannend en indrukwekkend, voornamelijk dankzij de formidabele Paoletta Marrocu. De stem van Thomas Hampson is eigenlijk te lyrisch en te gecultiveerd voor Macbeth, maar hij is kunstenaar genoeg om er iets van te maken. Als Macduff horen we verder de vergane glorie van Luis Lima.

Hieronder de slaapwandelscène met Paoletta Marrocu:

Parma

 

Macbeth Parma

Dat het niet helemaal is geworden wat het eigenlijk had kunnen zijn, ligt aan een aantal factoren. Liliana Cavalli is een fantastische filmregisseur en dat is in haar aanpak goed te zien. Haar concept zit vol goede ideeën. Maar die worden helaas niet helemaal uitgewerkt.

Cavalli bedacht een theater in het theater: het publiek (het koor plus figuranten) bezoekt een openluchtvoorstelling van Macbeth. De heksen worden verbeeld door de wasvrouwen die ook zo’n beetje de rol van het ‘Griekse koor’ op zich nemen en het verloop van het verhaal vertellen. De opkomst van de Lady met een dwerg werkt een beetje op de lachspieren, wat beslist niet de bedoeling was, denk ik.

Laat negentiende-eeuwse kleding voor de toeschouwers staat tegenover de Shakespeariaanse look van de hoofdrolspelers in het toneelstuk dat opgevoerd wordt. Zeg maar: een mix van regietheater met ouderwetse conventies.

Sylvia Valeyre ziet eruit als de Lady en zo zingt zij ook: aantrekkelijk, sexy en gevaarlijk. Haar stem is misschien niet de mooiste en soms doen haar noten pijn in je oren, maar haar slaapwandelscène is meer dan indrukwekkend en haar vertolking van de rol behoort tot de beste, zeker op beeld.

Leo Nucci (65 tijdens de opnamen) is, althans hier, niet de grootste acteur onder de zangers, maar zijn stem mag er zijn: nog steeds robuust en autoritair. Bruno Bartoletti dirigeert verder uitstekend, wat het al met al absoluut het bekijken waard maakt!

Hieronder de trailer van de productie (C Major 722104):

New York

Macbeth-aria-Netrebko

Eén van de best bezochte ‘Live in HD’-voorstellingen van de Metropolitan Opera vorig jaar was ongetwijfeld de in oktober 2014 rechtstreeks uitgezonden Macbeth met Anna Netrebko.

Anna Netrebko sings Lady Macbeth’s aria from Act I of Verdi’s “Macbeth.” Production: Adrian Noble. Conductor: Fabio Luisi. 2014–15 season.

Het was niet de eerste keer dat zij de rol van Lady zong, dat deed zij al in juli dat jaar in Berlijn. Ze deed het in juli dat jaar al in Berlijn en zong daarvoor vijf aria’s uit de opera op haar cd met Verdi-aria’s (DG 4791052). Ik vond haar in New York zeer spectaculair in de rol, maar ook de hele productie kon mij meer dan bekoren. Zeer intelligent en logisch en bij vlagen heel erg mooi en spannend.

untitled

De productie zelf (regie: Adrian Noble) was niet nieuw, het is al eerder in de Met geweest en werd in 2008 op DVD gezet (Warner 206304920). De cast was toen, op de fenomenale Željko Lučič na, anders.

Maria Guleghina gold in de late jaren negentig als één van de grootste vertolkers van het dramatische Verdi-repertoire, maar zelf was ik nooit zo van haar onder de indruk. Zo ook hier: ze zingt zonder meer goed, maar laat ik het zo zeggen: waar Netrebko een zeer tot de zinnen sprekende, sexy bitch was, is Guleghina gewoon een bitch.

John Relya is een jonge Banquo met een diepe bas. Ook over Dimitri Pittas (Macduff) ben ik zeer te spreken en James Levine dirigeert niet minder dan goddelijk.

Hieronder de finale van de eerste akte:

(meer…)

HÉRODIADE

 

Herodiade Flaubert

Gustave Flaubert: Herodias. Illustratie Lucien Pissarro

Zijn wereldhit Salome componeerde Richard Strauss op een toneelstuk van Oscar Wilde; en die haalde zijn inspiratie uit een kort verhaal van Gustave Flaubert, ‘Herodias’. Daar hebben ook Paul Milliet en Henri Grémont hun libretto voor Massenets opera Hérodiade op gebaseerd. Noch Wilde noch Milliet en Grémont zijn Flaubert erg trouw geweest. Daar waar de Franse novellist zich min of meer tot de Bijbelse vertelling beperkte, verrijkt met zijn poëtische taal en omschrijvingen, voegden de toneelschrijver en de librettisten geheel nieuwe aspecten en wendingen aan het verhaal toe.

 

Herodiade - affiche


Herodiade
werd voor het eerst opgevoerd in de koninklijke Schouwburg van Brussel op 19 december 1881. Wie hier, zoals bij Richard Strauss, dierlijke erotiek, bloed en zweet verwacht komt bedrogen uit. Massenets Salomé is een echt onschuldig en devoot meisje. Toen haar moeder haar verliet om met Hérode te trouwen, werd zij opgevangen door Jean (Johannes de Doper), op wie zij verliefd werd. Een liefde die wederzijds bleek.

Herodiade - acte I Brussel

Geen opera zonder verwikkelingen: Hérode geilt op Salomé,  Hérodiade wordt op haar jaloers en Jean wordt onthoofd. Salomé ziet in Hérodiade de aanstichtster van al het kwaad en wil haar doden. “Ik ben je moeder” fluistert Hérodiade, waarop Salomé zelfmoord pleegt.

De muziek ademt al een vleugje parfum van Massenets latere werken, maar, met al die koren, exotische Oosterse taferelen en uitgebreide balletscènes is het niet anders dan een echte Grand Operà in de beste Meyerbeer-traditie.

Eén van de vroegst opgenomen fragmenten uit de opera is, denk ik, de beroemde aria van Herodé  ‘Vision Fusitive’ door de Franse bariton Maurice Renaud gemaakt in 1908:

En van de opname die Georges Thill maakte in 1927 weten we hoe een ideale Jean zou moeten klinken:

REGINE CRESPIN 1963

Herodiade crespin

Mocht u in het bezit zijn van deze uitvoering dan hoeft u eigenlijk niet verder te zoeken. Beter krijgt u het niet. Er is alleen maar één probleem: deze opname bestaat niet. Althans niet van de complete opera.

In 1963 heeft EMI de hoogtepunten van Hérodiade met de beste Franse zangers van toen (en ook van nu trouwens, nog steeds) opgenomen en het antwoord op het “waarom niet compleet ????”, dat antwoord krijgen we waarschijnlijk nooit.

Georges Prêtre dirigeert het orkest van  het Theater National de Paris alsof zijn leven daar van afhangt en alle, maar dan ook alle rollen zijn meer dan voortreffelijk bezet.

Regine Crespin zingt ‘Il est doux, il est bon’:

Salomé van Regine Crespin is ongeëvenaard en zo is de Hérodiade van Rita Gorr. Albert Lance (Jean) laat horen hoe die rol eigenlijk gezongen zou moeten worden in de traditie van Georges Thill en van Michel Dens als Hérodes kunnen we beter zwijgen. Zulke zangers bestaan niet meer.

Hopelijk gaat Warner de opname ooit op cd uitbrengen, tot die tijd kunt u terecht bij You Tube:

 

MONTSERRAT CABALLÉ Barcelona 1984

Herodiade caballe

Ook deze opname kunt u alleen via een piraat (of You Tube) bemachtigen, maar die is dan wel helemaal compleet en bovendien met (toegegeven slechte, maar toch) beeld!

Dunja Vejzovic zet een heerlijk gemene loeder van een Hérodiade neer en Juan Pons is een een beetje jeugdige maar verder prima Herodé. Een paar jaar later zal hij tot één van de beste “Herodossen” uitgroeien en dat hoor en zie je in deze opname al.

Montserrat Caballé is een fantastische Salomé, die stem alleen al doet je in de zevende hemel belanden en José Carreras ontroert als een zeer charismatische Jean.

Hieronder zingt Carreras ‘Ne pouvant réprimer les élans’:

Geen van de protagonisten is echt idiomatisch, maar wat een plezier is het om naar de echte Diva (en Divo) te kijken! Zo worden ze echt niet meer gemaakt

De hele opera op you tube:

(meer…)

SALOME: de gevaarlijke verleidster of …..? Discografie.

 

 

Salome Oskar Kokoschka - Tutt'Art@ 1

Oskar Kokoschka:  Salome (1906)

Er zijn van die opera’s die veel verbeeldingskracht van hun toeschouwers vereisen. Salome, bij voorbeeld. De puberale heldin is maar 15 jaar jong, maar Strauss geeft haar zeer heftige noten te zingen. Je moet er een stem van een Isolde voor hebben, maar je moet ook kunnen overtuigen dat je een jong en aantrekkelijk ding bent. En je moet ook nog eens uit de kleren.

 

Salome Wittich premiere dresden 1905

Première in 1905 in Dresden met Marie Wittich als Salome

Dat laatste hoefde van Strauss aanvankelijk niet – zijn allereerste Salome die de première in Dresden (1905) zong, Marie Wittich, was nogal zwaarlijvig.

Salome Wittich_SchuhSembachStra_Dd05

Marie Wittisch en Richard Strauss (helemaal rechts)

Maar Aino Ackté, een in die tijd zeer populaire Finse sopraan en een zeer aantrekkelijke vrouw, wist Strauss te overtuigen dat zij de enige echte Salome was. Zij nam balletlessen en bereidde de rol voor met de componist zelf.

 

Salome Acte 1

Haar eerste Salome zong zij al in 1907 in Leipzig en daarmee werd zij de allereerste zangeres in de geschiedenis die ook de ‘Dans van de zeven sluiers’ zelf uitvoerde. Londen (1910, onder Beecham), Parijs en Dresden (onder Strauss) volgden, en zo zette zij de standaard neer, waar niet veel zangeressen tegen zijn opgewassen. Niet dat zij de striptease helemaal uitvoerde: onder de sluiers droeg zij een huidkleurige body, die de naaktheid suggereerde.

De allereerste die helemaal naakt vanonder de sluiers tevoorschijn kwam, althans op de bühne, was waarschijnlijk Josephine Barstow, in 1975, eerst in Sadler’s Wells in Londen. Kort daarna herhaalde zij haar rol in Deutsche Staatsoper in Berlijn, in de productie van Harry Kupfer die in 1994 ook te zien was bij DNO in Amsterdam:

Een ander probleem waar menig regisseur (en de vertolkster van de hoofdrol!) moeite mee kan hebben is het karakter zelf. Is Salome daadwerkelijk een gevaarlijke verleidster en naar seks hunkerende nymfomane? Misschien is zij maar een gewone puber op zoek naar liefde en genegenheid?

Een verwend meisje dat opgroeit in een liefdeloze omgeving, waar men meer om geld en uiterlijk vertoon geeft dan om wat dan ook? Een slachtoffer van driften van haar geile stiefvader, die moeite heeft met haar ontluikende seksualiteit? Die in haar naïviteit gelooft dat de ‘heilige’ man, met zijn mond vol ‘normen en waarden’ haar daadwerkelijk kan helpen, maar wordt afgewezen? Waardoor zij zint op wraak? Moeilijk.

 

Salome Karl perron

Carl Perron, de eerste Jochanaan, hier als Amfortas

En wat te doen met Jochanaan? In het libretto staat nadrukkelijk dat hij jong en aantrekkelijk moet zijn, maar vind nou eens een bas/bariton met een grote stem en een autoritaire uitstraling die dan ook nog eens voldoende aantrekkingskracht op een mooie, door de mannen bewonderde en begeerde prinses zou moeten hebben. Het blijft tobben.

(meer…)

DER ROSENKAVALIER: discografie

Rosenkavalier premiere

Scènefoto uit de wereldpremière 26 januari 1911 in de Hofoper Dresden

Jaja….. mijmert de Marschallin, daarmee de hele opera in één woord samenvattend.

Ik weet niet hoe u er over denkt, maar ik vind het geniaal. De tijd gaat voorbij, of je het wilt of niet en je je erbij neerleggen is een kunst op zich. Daar kan ik eindeloos naar luisteren, want de weemoed die het woord bij mij teweegbrengt is grenzeloos. De muziek doet dan ook even mee, op de achtergrond… Mooi.

Waarom houd ik dan niet van Der Rosenkavalier? Ik denk dat het komt door de, voor mij althans, overbodige scènes met overbodige mensen. Denk aan de eindeloos durende drukke ochtend na de gepassioneerde nacht. Of, nog erger: driekwart van de derde acte, die mij het meest aan een mislukte Falstaff doet denken.

 

Rosenkavalier Strauss

In de met Echo Klassik 2015 bekroonde documentaire Richard Strauss and his heroines (Arthaus Musik 102 181) gaat de Oostenrijkse dirigent Franz Welser-Möst nog een stapje verder. Volgens hem is “Der Rosenkavalier” een parlando opera die men ondergaat wachtend op de grote hit: het terzet. Daaromheen is de hele opera gebouwd, aldus Welser-Möst.

Trailer van de film:

 

 

DVD’s

Krassimira Stoyanova

 

Rosenkavalier Stoyanova

Franz Welser-Möst kan het weten: in 2014 dirigeerde hij in Salzburg één van de allerbeste en allermooiste Rosenkavalier-producties ooit, in samenwerking met oudgediende Harry Kupfer, die er haast een masterclass in regisseren van maakte. Een masterclass die verplicht zou moeten worden voor iedere regisseur die denkt met zijn ‘geniale’ concepten het wiel opnieuw te kunnen uitvinden.

De voorstelling is niet alleen prachtig om te zien, maar ook logisch en consequent. Kupfer schuwt de moderne technieken niet, maar de muziek en het libretto staan centraal: de regie is er dienstig aan gemaakt. En de werkelijk betoverend mooie videobeelden van Thomas Reimer ondersteunen het verhaal.

Krassimira Stoyanova is de Marschallin zoals ik mij haar altijd had ingebeeld: een mooie, rijpere vrouw met veel relativeringsvermogen. Günther Groissböck is een verrukkelijke Ochs met maar één minpunt: hij is té aantrekkelijk! Zijn stem, zijn acteren, maar voornamelijk zijn charisma! Ik denk niet dat ik de enige ben die de ogen niet van hem kan afhouden!

Ook de Faninal van Adrian Eröd oogt verrassend jong, wat een absolute verademing is. Bij vlagen doet hij mij aan Humberto Tan denken: de conclusie laat ik aan u over.

Sophie Koch doet het voortreffelijk als een zeer aantrekkelijke Octavian en mijn enige probleem is Mojca Erdmann. Haar Sophie klinkt exact zo als haar Lulu in Amsterdam en is evenmin te verstaan (Cmajor 719404).

Impressies van de productie:

 

Kate Royal

Rosenkavalier Royal

Wij blijven nog even in het jaar 2014, maar verplaatsen ons naar Glyndebourne, waar de nieuwe productie van Richard Jones een wereldwijd schandaal veroorzaakte. De aanleiding was, voor de verandering, niet de productie zelf maar de recensies in de Britse pers. Mijn Engelse (mannelijke!) collega’s vonden Tara Erraught (Octaviaan) totaal miscast: te klein, te lomp en te dik. De operawereld, en niet alleen, roerde zich. Want: mag je iemand, in dit geval een geweldige zangeres op haar uiterlijk beoordelen?

Het zal mij worst wezen hoe een zangeres eruitziet, als ze me maar met haar zang en spel weet te overtuigen, maar deze keer moet ik mijn collega’s een beetje gelijk geven. Ondanks de schmink en het (zeer lelijke) kostuum ziet Erraught er uit als een meisje. Haar werkelijk prachtige mezzo klinkt daarbij zeer vrouwelijk en met geen mogelijkheid wekt zij de schijn van een potente jongeman van 17. Ook in haar/zijn vermomming als Mariandel kan zij mij nergens overtuigen

Kate Royal is niet een echt idiomatische Marschallin: haar mooie maar zeer lichte sopraan beschikt nu eenmaal niet over het romige timbre dat de rol vereist.

Teodora Gheorghiu (Sophie) is, denk ik, de beste van het “trio”, maar ook zij weet niet zo goed wat zij met de tekst kan doen. Wat mij het meeste stoort echter is dat de stemmen niet zo goed mengen, waardoor de overhandiging van de roos (en de trio!) een beetje in de soep valt.

De productie zelf is vrij conventioneel, maar nergens ‘Weens’. Het wemelt er van flauwe, zeer seksueel getinte grappen en de beginscène met de naakte Marschallin ‘full monty’ onder de douche vind ik té.

Robin Ticciati houdt het orkest “light”: onder zijn leiding klinkt de ouverture vederlicht met veel nadruk op de melodielijn. Nafluitbaar, eigenlijk (Opus Arte OA 1170D).

Trailer:

 

René Fleming

 Rosenkavalier Fleming

Ooit behoorde Fleming tot mijn absolute favorieten. Met haar Desdemona, Rusalka en Salome (Herodiade van Massenet) wist ze mij tot tranen toe te roeren. Haar Blanche (A Streetcar Named Desire) was meelijwekkend en breekbaar en haar eerste Strauss-opnamen smaakten naar meer.

Helaas. Gelijkend haar oudere collega en landgenote Cheryl Studer ging ook zij zowat alles zingen en opnemen, met een soms zeer dubieus resultaat. Maar wat mij het meeste ging tegenstaan, was haar gemaaktheid, haar maniertjes en haar ‘Miss Plastic’-voorkomen. Weg gevoelens, weg emoties. Zonde.

Dat is ook te zien in de anders een werkelijk schitterende productie, in 2009 opgenomen in Baden-Baden (Decca 0743343). De regie van Herbert Wernicke is zeer doordacht  en spannend, zeer logisch ook. Decors en kostuums zijn oogverblindend en er gebeurt van alles. Er is een knipoog naar Commedia del’Arte en door het gebruik van spiegels wordt veel meer gesuggereerd dan we te zien krijgen, leuk. Prachtig.

Sophie Koch is een verrukkelijk potente Octaviaan en Diana Damrau een leuke en (soms een beetje té) guitige Sophie. Franz Hawlata is een fantastische  Ochs en in de kleine rol van de Italiaanse zanger horen we niemand minder dan Jonas Kaufmann. Ook orkestraal valt er veel te genieten, al gaat Thielemann er soms heel erg zwaar doorheen.

Renée Fleming zingt prachtig mooi, zonder meer, maar: kunt zich voorstellen dat u, na een overheerlijke nacht, vol liefde en passie, wakker wordt met een perfect zittend kapsel? Dat bedoel ik dus.

Een repetitiefragment:

 

Adrianne Pieczonka

Rosenkavalier Pieczonka

De voorstelling, in 2004 opgenomen tijdens de Salzburger Festspiele (Arthaus 107139) heeft werkelijk alles in zich om tot de top tien van de beste producties te behoren.

De Canadese Adrianne Pieczonka is voor mij één van de spannendste sopranen van de laatste tijd. Haar klank is open, haar hoogte soepel en haar geluid vol en warm. Bovendien weet ze op een zeer natuurlijke manier de noten op te laten bloeien, zonder dat ze ze van onder aanpakt. Ze is ook wars van maniertjes, echt een verademing! In veel opzichten, ook visueel, doet zij mij aan Tomowa-Sintow denken.

Angelika Kirschschlager is een verrukkelijke Octaviaan en Miah Persson een schattige Sophie.

Franz Hawlata oogt een beetje jong voor Ochs, maar wist u dat de baron in werkelijkheid nog geen 40 was?

De productie zelf vind ik ongekend mooi en spannend. Regie lag in handen van Robert Carsen die daarmee alweer heeft bewezen dat hij toch echt bij de absolute top hoort.

De kleine rol van de Italiaanse tenor is zeer luxueus bezet door Piotr Beczala, die er zijn Salzburger debuut mee maakte.

Het Wiener Philharmoniker wordt zeer lyrisch maar tegelijk ook gespierd gedirigeerd door Semyon Bychkov.

Nieuwsgierig?
Hier kunt u een fragment zien:

(meer…)