IVC

Internationaal Vocalisten Concours ‘s-Hertogenbosch 2014

 

IVC-winnaars

Winnaars van het 50ste IVC © Vincent Nabbe

En opeens was het voorbij. Na zeer lange dagen (en halve nachten) van luisteren, nadenken, debatteren, overleggen, meningen vormen en ze herzien, sloot het vijftigste Internationaal Vocalisten Concours op zondag 13 september 2014 af met de Grande Finale. Een impressie.

De negen finalisten in de categorie opera/oratorium mochten zich eindelijk in ‘vol ornaat’ presenteren aan het publiek en de jury. Geen piano meer, maar een volledig orkest, dat onder leiding van het jurylid Kenneth Montgomery werkelijk wonderen verrichtte om al de verschillende stukken op tijd in te studeren en ze dan op zo’n hoog niveau uit te voeren. Chapeau!

Een speciale vermelding verdient de klarinettist van de philharmonie zuidnederland, die zich in twee aria’s van Mozart, beide uit La clemenza di Tito, een waardige partner toonde van Deirdre Angenent (‘Ecco il punto..’) en Catriona Morison (‘Parto, parto..’)

De Chinese Yibao Chen (met 24 jaar één van de twee jongste deelnemers) stelde mij na haar sterke optreden in de halve finale behoorlijk teleur. Vivaldi’s ‘Juditha triumphans’ was voor haar nog duidelijk te hoog gegrepen. Haar keuze voor ‘Meine Lippen, sie küssen so heiss’ (Giudita van Lehár) was buitengewoon sympathiek (eindelijk een operette op het menu!), jammer alleen dat zij zo vreselijk schmierde. Toch ging ze niet met lege handen naar huis: samen met Iris van Wijnen mocht ze de Prijs van de Provincie Noord-Brabant delen.

Deirdre Angenent nam een sterk revanche op haar – voor mij – teleurstellende optreden in de halve finale. Toen werd “Morrò, ma prima in grazia” (Ballo in Maschera) bijna bedolven onder het geweld van de stem en te veel forte en fortissimo, nu wist zij zo veel verschillende kleuren en nuancen te voorschijn te toveren dat zij zowel met haar Mozart als met “Es gibt ein Reich” (Ariadne auf Naxos) veel indruk op mij maakte.

En mocht er een prijs worden gegeven voor de mooiste/indrukwekkendste “verschijning” dan heeft zij die ruimschoots verdiend. In tijden van de visualisatie van de kunstvorm ‘opera” beslist niet onbelangrijk. Ik kon mij ook niet aan de indruk onttrekken dat zij al het stadium “Opera competitie” voorbij is.

Bijzonder onder de indruk was ik van de Poolse sopraan Marcelina Beucher. Al in de halve finale roerde ze mij tot tranen toe met de zowat volmaakt gezongen ‘Teneste la promessa’ (La Traviata). Wel jammer dat ze zowel toen als in de finale koos voor ‘In Trutina’ (Carmina Burana), een werk dat mij betreft niet in concoursen thuishoort. Maar na de met veel expressie gezongen ‘Ha! Dzieciatko nam umiera’ uit Halka van Moniuszko werd ik even stil. Dat zij, als enige, niet in de prijzen viel, is voor mij dan ook onbegrijpelijk.

Zijn muziek is minstens zo goed!

Marcelina Beucher in ‘Ha! Dzieciątko nam umiera…’ uit Halka van Moniuszko:

Bij de Canadese tenor Andrew Haji ging mijn operahart sneller kloppen. Zijn ‘Una furtiva lagrima’ (L’elisir d’amore) bezorgde mij vochtige ogen: hier stond een echte tenor zoals ze alleen maar vroeger gebouwd werden, bij wijze van spreken dan. Zijn prachtig gevoerde stem met een makkelijke hoogte is buitengewoon fraai en zijn voordracht meer dan voorbeeldig. Met zijn stem alleen wist hij alles te vertellen wat een componist wilde zeggen, bijvoorbeeld in zijn meer dan indrukwekkende uitvoering van ‘Tarquinius’ Ride’ (The Rape of Lucretia) in de halve finale of in het zalvende ‘Ye people’ uit de Elijah van Mendelssohn. Bij hem moest ik denken aan een uitspraak van Aprile Millo: “The opera is all about voices and music.” Een terechte winnaar.

Andrew Haji in ‘Ye people’ uit de Elijah van Mendelssohn:

De oratoriumprijs werd zeer terecht aan de Engelse mezzo Catriona Morison toegekend. Haar stem is mooi rond en warm en zowel haar laagte als haar hoogte wist ze zeer soepel te hanteren. Maar ze was ook de enige die – op één aria van Mozart na, een schitterend uitgevoerd ‘Parto, parto..’ – alleen maar oratorium zong.

Catriona Morison zingt ‘Where Shall I Fly’ uit Hercules van Händel:

De Nederlandse mezzo Francine Vis kreeg de prijs voor het, nu in de orkestversie uitgevoerde, plichtwerk ‘Quale coniugium’ van Willem Jeths.

Of het terecht is laat ik in het midden, maar haar interpretatie was de mijne niet. Veel concurrentie had zij echter niet: de enige andere genomineerde was de Kroatische bariton Krešimir Stražanec.

Hoe anders klonk het lied uitgevoerd door de Amerikaanse countertenor Eric Jurenas (onbegrijpelijk eigenlijk dat hij niet voor de Lied-Duo finalen werd uitgekozen!). En ik moest denken aan de manier hoe de Nederlandse bariton Michael Wilmering het lied met de piano zong en wiens vertolking mij zeer heeft gegrepen: zodra ik mijn ogen dichtdeed zag ik het schilderij van Jeroen Bosch voor mij. Hopelijk krijgt hij ooit de kans om de werkelijk prachtige compositie ook met een orkest te vertolken.

IVC Iris van Wijnen

Kiri te Kanawa en Iris van Wijnen

Niet met alle beslissingen van de jury ben ik het dus eens: zo had ik de jonge (24!) Nederlandse sopraan Iris van Wijnen graag in de finale gehoord. Al tijdens de halve finalen vond ik haar optreden echt bijzonder, maar tijdens de masterclass met Dame Kiri liet zij horen wat een fantastische Mimi in haar schuilt!

Zelf had ik ook nooit de operaprijs aan de Amerikaanse tenor Matthew Newlin toegekend, al vond een deel van het publiek hem werkelijk enig en zeer aansprekend. Voor mij was zijn hoogte te geknepen en zong hij met een soort ‘knödel’ in zijn stem. Maar dat is natuurlijk persoonlijk.

Al met al: het was een fantastische afsluiting van een fantastisch concours. Ook de organisatie was tot in de puntjes verzorgd, er was voldoende informatie beschikbaar en iedereen – en niet alleen de deelnemers – werd zowat in de watten gelegd door de directrice, Annett Andriessen, waarvoor hulde.

 

Meer over IVC: IVC: RUSSISCHE SUMMERSCHOOL september 2015

 

Advertenties

IVC: RUSSISCHE SUMMERSCHOOL september 2015

IVC summer-school-on-russian-repertoire-participants-and-masters

Deelnemers aan het Summerschool © www.lafeenyx.com

Zo heb je niets, zo heb je een fiets: zo luidt mijn (zelf verzonnen!) geliefde gezegde. Soms is het culturele aanbod zo groot dat je niet meer weet waar je heen wilt. Maar, hoe moeilijk het ook niet is: kiezen moet je. Dus op de dag dat de meeste operaliefhebbers zich in het Amsterdamse Concertgebouw verzamelden om in een heuse Wagner marathon te worden ondergedompeld, spoedde in mij naar het Muziektheater waar een veel kleinschaliger, maar beslist niet minder interessante feest plaatsvond.

Na een week hard werken presenteerde een aantal jonge zangers zich met repertoire dat je nog steeds veel minder hoort dan de (zeker op onze podiums) dominerende Wagners. Want wees eerlijk: hoeveel Russische opera’s kent een gemiddelde operafan eigenlijk?

Het onvolprezen Internationaal Vocalisten Concours – dat veel meer doet dan het houden van een tweejaarlijkse zangcompetitie– organiseert sinds 2011 ook zogenoemde summerschools, waar zorgvuldig uitgekozen kandidaten zich in een bepaald repertoire en in bepaalde technieken kunnen bekwamen

Het begon allemaal met een Belcanto Summerschool in 2011, in 2013 gevolgd door de Wagner Academie. In 2014 werden, in samenwerking met De Nationale Opera, workshops Frans repertoire georganiseerd. En in hetzelfde jaar vond de ‘Mahler | Strauss Masterclass & Symposium’ plaats.

Nu werd er, wederom in samenwerking met De Nationale Opera, tijd en ruimte gemaakt voor de Russen. In het slotconcert in Amsterdam lieten maar liefst 21 jonge zangers horen hoe zij met de vermaarde ‘Russische ziel’ wisten om te gaan. Het resultaat was alleszins bevredigend, met een paar echte uitschieters.

De Russisch-Nederlandse zusjes Elnara en Gulnara Sfafigullina waren voor mij niet onbekend. Beiden heb ik al eerder met veel plezier gehoord. Zaterdag viel mij op hoe geweldig ze zijn gegroeid en hoe ontzettend professioneel ze inmiddels zijn geworden. Maar ook dat ze de grens van ‘jong getalenteerd’ al ruimschoots zijn gepasseerd.

IVC-Zemfira

Elnara Shafigullina als Zemfira in Aleko © Vanessa Fichter

Zeker voor Elnara geldt dat laatste. Met haar 35 jaar is ze het beginnersstadium ontgroeid en het verbaasde me dat ik haar hier bij een summerschool trof, en niet op het podium van één van onze operahuizen. Haar groots gezongen Zemfira (Aleko) was niet alleen prachtig om te horen, maar ook om te zien. In haar korte optreden wist ze haar personage – een mengeling van Carmen en Nedda – tot leven te wekken.

Gulnara zong en speelde een zeer overtuigende Tatyana (Jevgeni Onjegin), die wel een beetje overschaduwd werd door Oleksandra Didenko (Olga). De Oekraïnse beheerste de bühne vanaf het eerste moment dat ze opkwam. Maar net zo goed (en dat noem ik professionalisme) wist ze een stapje opzij te doen als haar collega’s aan de beurt waren. Eerder maakte ze overigens al indruk met een kort optreden als Milovzar in Pique Dame.

En dan was er nog de Oekraïnse Olena Kumanovska. De grote aria van Lisa (Pique Dame) zong zij met een grote, resonerende stem. In het duet met Pauline werd zij bijgestaan door de even indrukwekkende Belgische mezzo Sara Jo Benoot.

IVC-Kumanovska-en-Benoot

Olena Kumanovska en Sara Jo Benoot in een scène uit Pique Dame © Vanessa Fichter

Het was een beetje een ‘damesmiddag’, want het valt niet te ontkennen dat de vrouwen (allemaal!) superieur waren aan hun mannelijke collega-cursisten. Het is niet zo dat de mannen (waarvan twee eerder jongens dan mannen) slecht waren. Het is best mogelijk dat ze wat meer last hadden van de zenuwen. De door de 25-jarige Misha Gavriloff gezongen aria van Yeletsky voelde daardoor wat stijf aan. Mooi, maar een beetje saai.

De Koreaanse Boram Kim had zichtbaar minder last van zenuwen en wist de aria van Tomsky ook van goed acteerwerk te voorzien.

De Poolse bas Mateusz Hoedt liet in zijn lyrisch gezongen arioso van de Oude Man uit Aleko horen wat een belofte voor later hij is. Slechts 25 jaar en nu al zo’n prachtige diepte!!

Als een blok viel ik voor de charmes van Mikołaj Trąbka (Onjegin). De nog maar 23-jarige bariton heeft een charisma van hier tot Tokyo en stiekem bekroop mij het gevoel naar een zingende Hugh Grant te kijken. Zijn Onjegin had precies dat ‘etwas’ dat (jonge) mannen onweerstaanbaar maakt: een beetje onbeholpen, jongensachtige onschuld.

 

IVC-Trabka

Mikołaj Trąbka © Vanessa Fichter

 

In aanloop naar de operafragmenten werden een paar liederen van Rachmaninov, Tsjaikovski en Moessorgsky ten gehore gebracht. In dat repertoire wist Sara Jo Benoot mij het meeste te bekoren.

Aangezien de meeste deelnemers Russisch, Oekraïens of Pools waren, kan ik niet goed beoordelen hoe goed de taalcoach haar werk heeft gedaan. Maar iedereen was goed te verstaan.

De begeleidende pianistes waren van wisselend niveau. Het meest gecharmeerd was ik van Polina Bogdanova (liederen), maar Liubov Orfenova, die de scènes uit Onjegin begeleidde, straalde de meeste power uit.

Het is nu wachten op de volgende editie van het IVC, over een paar weken. En op de volgende summerschool. Wellicht Verdi? Dat hoop ik!

 

ZANGCONCOURSEN: PRO’S EN CONTRA’S

concoursen Moritz-Schwind-Saengerstreit-ohne-Rahmen

Moritz von SchwindDer Sängerkrieg

Als jonge zanger kun je bij wijze van spreken iedere week aan een zangconcours meedoen. Overal worden mogelijkheden geboden om jezelf in de spotlights te zingen. Goed nieuws voor het vele talent dat er is. Maar er zijn ook kanttekeningen te plaatsen.

Er wordt beweerd dat ‘het publiek’ gek is op concoursen en daar geloof ik zonder meer in. Al in de oudheid wist men de gemoederen met brood en spelen rustig te houden; en er werden allerlei wedstrijden georganiseerd, ook voor zangers, dichters en filosofen. De traditie leefde voort, en de zangwedstrijden hebben hun weg ook naar de opera gevonden. Denk alleen aan Die Meistersinger of Tannhaüser. Voor je zangkunst werd je altijd beloond. Ooit mocht je de mooie bruid mee naar huis nemen, tegenwoordig is je prijs tastbaarder geworden. Een somma geld, een engagement in een operahuis en – waar iedereen, al is het stiekem, van droomt – roem en een grote carrière. Geen wonder dus, dat er zo veel concoursen bestaan.

Maar: zijn het er inmiddels niet te veel? Moet er niet een leeftijdsgrens worden gesteld? Kan je een zanger die inmiddels aan grote huizen zingt met een beginnende collega vergelijken? Leveren ze ook datgene op, waar de veelal zeer jonge mensen op hebben gehoopt? Worden ze er door in hun carrière geholpen? Je wint en dan? En hoe ga je met je verlies om?

Allemaal vragen die mij deden besluiten om het fenomeen ‘zangcompetitie’ onder de loep te nemen en met direct betrokkenen te gaan praten,

Maartje Rammeloo (sopraan):

 

Concoursen Maartje

© Sarah Wijzenbeek

In 2008 was Maartje Rammelo één van de halvefinalisten van het IVC, waar ze uiteindelijk de Staetshuijs Fonds Prijs won. Ook tijdens het Belvedere in 2013 behaalde ze de halve finale. Verder won ze een engagement in Essen. Rammeloo was finaliste bij het Montserrat Caballé Concours in Zaragosa en bij het Wilhelm Stennhammer concours in Zweden.

 “Meedoen aan concoursen geeft een dubbel gevoel. Het inspireert en is opwindend, maar uitslagen zijn óf vreselijk voorspelbaar of volkomen bizar.

Je doet altijd mee om het beste uit jezelf te laten zien en hoopt dat dit voldoende is om een jury te overtuigen van je kwaliteit: maar hoe kun je de kunde en artisticiteit van een musicus beoordelen in een wedstrijd? In een auditie voor een productie heeft een artistiek team een concept en een idee over wie een rol zou moeten spelen. Maar in zo’n wedstrijd vergelijken meerdere juryleden met ieder zijn/haar eigen smaak appels met peren: een Figaro met een Tosca, een Händel counter met een Wagner sopraan.

En dan heb je het nog niet eens over het gekonkel en de verborgen agenda’s van sommige juryleden, het chauvinisme in regionale wedstrijden en het exotisme/de commercie om soms voor zangers te kiezen die niet per se de beste performance geven, maar wel erg interessant zijn vanwege afkomst of uiterlijk.

Waarom dan meedoen? Het geeft je een kans nieuw repertoire uit te proberen en feedback te krijgen. Daarbij is het een kans om voor te zingen voor de belangrijkste mensen uit het vak, voor wie je ‘in real life’ nooit een auditie geregeld krijgt zonder een geniale agent die je er binnen loodst.

Ik heb nog geen wedstrijd gedaan waar ik niet óf werk óf contacten óf zinnige feedback aan over heb gehouden. En dat is uiteindelijk wat we willen: werken! Zingen! Voor een publiek staan!

De prijzen maken het makkelijker om je vak uit te oefenen. In financieel opzicht, want ons vak maakt in de eerste jaren zeker niet rijk, en daarnaast qua bekendheid, wat weer voor meer werk kan zorgen. Maar net zo goed zijn er prijswinnaars genoeg waarvan we nooit meer wat horen en zangers die nog nooit een concours hebben gewonnen die nu een wereldcarrière hebben. Uiteindelijk gaat het om de lange adem, niet om het snelle succes…

Wat wel altijd erg lastig is met concoursen, is het vaststellen van je repertoire. Allereerst zijn er maar weinig zangers honderd procent zeker van hun ‘fach’. Het merendeel twijfelt toch telkens weer waar juryleden mij in zouden willen horen.

Daarbij heeft elk concours weer z’n eigen eisen. Zo veel aria’s in het totaal, waarvan zoveel van de lijst met verplichte werken, waarvan je eerste ronde maar zoveel minuten mag duren en de jury in de volgende ronde zo veel aria’s kiest enz. enz. Vreselijk moeilijk. Want je wilt zo veel mogelijk laten horen. Verschillende talen, verschillende stijlen, verschillende technieken en onderwerpen.

Er zijn ook een aantal concoursen die meer dan alleen het wedstrijdelement bieden. Ik stimuleer mijn eigen leerlingen nu ook om daar naar te zoeken. Concoursen als het IVC die met dingen als een jongerenjury, masterclasses, concertjes en lezingen er een echt zangfestival van maken. En dat zijn ook vaak de concoursen die contact houden met je in de jaren erna. Die begaan zijn met de verdere ontwikkeling van de zangers. Maar dat zijn er erg weinig helaas…

Ik heb inmiddels geleerd dat als je zingt waar jij je lekker bij voelt en wat je echt goed kan, dan is er na afloop van je optreden tenminste één iemand blij. Namelijk jij.

Maartje Rammeloo zingt ‘I want magic!’ uit The Streetcar named Desire van André Previn:

 

Piotr Barański (countertenor):

concoursen Piotr-Baranski-Cornelia-Helfricht

©  Cornelia Helfricht
 

In 2012 was Piotr Barański halvefinalist bij het IVC in Den Bosch.

 “Lange tijd wilde ik niets van concoursen weten, ik vond mijzelf er niet het type voor. Je moet je niet alleen goed voorbereiden, maar ook zeker zijn van jezelf en het beste van jezelf aan de jury laten zien, je moet presteren terwijl je onder stress staat. Daar moet je goed tegen kunnen en niet iedereen kan dat.

En toch – concoursen zijn heel erg belangrijk. Je krijgt de kans om je aan een breder publiek te presenteren, om nieuwe, belangrijke mensen te leren kennen – en in ons beroep moeten we het van connecties en netwerken hebben. En het is natuurlijk heel erg belangrijk dat je je kan laten zien aan dirigenten, agenten, intendanten en casting directeuren, die op zoek zijn naar nieuwe talenten.

Er zijn helaas concoursen waar de eliminaties en de eerste voorrondes achter gesloten deuren plaats vinden en alleen de finales zijn toegankelijk voor het publiek. De kansen om iets van zo’n concours op te steken zijn dan minimaal.

De criteria van de jury zijn niet altijd even duidelijk en de resultaten kunnen zeer controversieel zijn. Ik ken zangers die, zingend op hetzelfde niveau, op het ene concours de hoogste prijzen winnen, terwijl bij het andere niet verder komen dan de voorrondes.

Wat voor mij heel belangrijk is, is de feedback. Het is van het grootste belang voor de verdere ontwikkeling van een zanger om tenminste een paar woorden met de juryleden te wisselen, iets wat inderdaad bij IVC gebeurde en wat mij ontzettend heeft geholpen. Een gezonde, constructieve kritiek is onontbeerlijk en opbouwend.”

Piotr Barański (countertenor) en Hans Eijsackers (piano) in “Lullaby” uit ‘Songs and Dances of Death’ van  Modest Mussorgsky

(meer…)